De bijgelovige sporters! (longread)

Eerst de rechterschoen aan en dan pas de linker. Als laatste de kleedkamer uit willen. Een kruisje slaan als je het veld betreedt. Het zijn de bekende rituelen die zoveel sporters uitvoeren voordat ze aan een wedstrijd beginnen.
@media (max-width: 679px){#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e303b105a51 img{#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{width: 470px;height: 470px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 680px){#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e303b105a51 img{#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{width: 624px;height: 624px;}}@media (min-width: 681px) and (max-width: 1320px){#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e303b105a51 img{#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{width: 1290px;height: 726px;}}@media (min-width: 1321px){#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{background: #eee;}#fig-65e303b105a51 img{#fig-65e303b105a51 img.lazyloading{width: 948px;height: 533px;}}https://cdn.pijper.io/core/panorama-fallback1.png

17 dagen alleen maar sushi

Niks mis met een goed bord sushi, maar om het nou zeventien dagen achter elkaar te eten is toch wat overdreven. Dat vindt oud-tennisser Martin Verkerk ook, maar toch zette hij zichzelf op zo’n sushi-dieet. Dat zit zo: in 2003 behoort Verkerk absoluut niet tot de favorieten op Roland Garros, maar nadat hij sushi heeft gegeten in een restaurant, wint hij zijn eerste wedstrijd. Dus gaat Verkerk een dag later naar hetzelfde restaurant. Hij wint weer en besluit sushi te bestellen tót hij verliest. Maar dat doet hij tot ieders verbazing pas in de finale, daardoor duurt Roland Garros twee weken voor Verkerk. “Ik heb zeventien dagen lang hetzelfde gegeten. Op een gegeven moment vond ik het niet eens meer lekker. Maar ja, never change a winning team.”

Middelvinger voor pa

Fuck You! Dat gebaart de Canadese zwemmer Santo Condorelli voor iedere race naar zijn vader. Niet dat ze een hekel aan elkaar hebben, pa Condorelli komt niet voor niets iedere wedstrijd naar het zwembad. “Je moet je zelfvertrouwen zelf een boost geven en iedereen die tegen jouw zwemt, op zijn plaats zetten”, verklaarde de zwemmer zijn gebaar. “Mijn vader zei me: geef me elke keer voor de start van een race de middelvinger en ik zal er een teruggeven.” Dus begroeten ze elkaar steevast met een middelvinger. Dat deden ze al bij jeugdwedstrijden en dus ook tijdens de Olympische Spelen van 2016. Dat vindt niet iedereen even grappig, daarom doet Condorelli het tegenwoordig een beetje verdekt, met zijn vinger langs zijn gezicht.

Op het veld plassen

Kan iedereen gebeuren: moeten plassen nét voor de wedstrijd. Zeker als het een belangrijke is. De Braziliaan Eder Loko speelt in 2008 met zijn club Ituano de halve finale van de beker van São Paulo, als hij heel nodig moet. Klein probleem: de spelers staan al naar het volkslied te luisteren, er is dus geen tijd meer om naar binnen te gaan. Dus doet Loko het maar in zijn broek. Ondanks – of misschien wel dankzij – het natte broekje scoort Loko al binnen dertig seconden. “Toen ik de goal maakte, was ik nog vochtig beneden en de geur was nog duidelijk aanwezig”, vertelde hij acht jaar later. “Sindsdien plas ik elke wedstrijd op het veld. Als het regent, is het best lekker.” Loko moet wel oppassen. Snapt de scheidsrechter hem, kan hij een rode kaart krijgen voor zijn daad. “Daarom kijk ik altijd goed of ik buiten het zicht van de camera’s ben.”

De nooit gewassen onderbroek

Een ouderwetse ballenknijper, daar speelde oud-volleyballer Olof van der Meulen alle belangrijke wedstrijden van het Nederlands team in. “Alle EK’s, WK’s en de Olympische Spelen. In een gewoon zwembroekie van vroeger”, vertelde hij in een documentaire. Dat is misschien nog tot daaraan toe, maar Van der Meulen weigerde om de zwembroek tijdens toernooien te wassen... “Nee, die ging de wasmachine niet in. Ik speelde er al mijn wedstrijden in, van de eerste tot de laatste.” Tijdens de Spelen van 1996 delen de volleyballers een hotelkamer met een teamgenoot. Van der Meulen: “Dan zit je op een heel klein kamertje met z’n tweeën en hangt de kleding alleen even te drogen. Want ook mijn trainingskleding werd niet gewassen. Dus ja, na elf dagen...” Teamgenoot Peter Blangé hoeft jaren na dato zijn ogen maar even te sluiten, of de geur van Van der Meulen komt zijn neusgaten weer binnen. “Die gozer, joh. Stond je bij hem in de buurt, dan ging je zowat van je stokkie. Jongen, jongen. De zoutvlekken zaten onder zijn armen. Hij had van die gele sokken, die stonden helemaal stijf.” Maar het heeft voor Van der Meulen wel het gewenste effect gehad, want de volleyballers wonnen in ’96 toch maar mooi goud.

Op sokken naar het toilet

Mark van Bommel heeft er al een indrukwekkende carrière op zitten bij onder meer FC Barcelona en Bayern München, als hij in het seizoen 2012-2013 afsluit bij PSV. Het curriculum van Van Bommel zou toch moeten zorgen voor een flinke dosis zelfvertrouwen, maar dat blijkt niet uit zijn hele rits aan handelingen die hij uitvoert voor hij aan de wedstrijd kan beginnen. “Ik lig altijd als eerste op de behandeltafel om ingetaped te worden. Dan doe ik mijn sokken aan en ga op mijn sokken naar het toilet. Daarna ga ik mijn schoenen warm maken door ze onder de warme kraan te houden. Nooit de binnenkant, altijd alleen de buitenkant. Dan schep ik een bekertje sportdrank uit een ton en neem één slok en zet de beker terug op de ton. Iedereen weet dat, dat is mijn bekertje. In het voorbijgaan neem ik steeds één slok. En dat altijd dezelfde volgorde.”

Vervolgens gaat Van Bommel naar buiten voor de warming-up, op schoenen met vaste noppen. “Als ik terugkeer doe ik mijn warme schoenen met schroefnoppen aan, die schoenen zijn dan lekker soepel. Vervolgens doet elftalleider Mart van den Heuvel mijn aanvoerdersband om. Dat mag alleen hij doen, dat moet zo. En zo gaat dat tot vlak voor de aftrap op het veld nog even door. Ik moet het allemaal van mezelf. Of het helpt? Ik denk van wel.”

Neurotische gravelkoning

De lijn schoonvegen, het gravel van zijn schoenen tikken. Even frunniken aan zijn onderbroek, dan het shirt van zijn linkerschouder trekken, dan van de rechter. Even de neus aantikken, het haar langs het linkeroor doen, nog een keer de neus aantikken en dan het haar langs zijn rechteroor. Ieder punt weer. Het duurt allemaal zo lang dat Rafael Nadal bij iedere service een tijdsovertreding maakt, maar er is geen scheidsrechter die de gravelkoning durft te berispen. Je wordt er alleen al moe van om naar te kijken.

En dat zijn alleen nog maar de handelingen bij de service. Een kleine greep uit zijn verdere arsenaal: bij het betreden van de baan heeft hij twee tassen om zijn schouder en een racket in zijn linkerhand. De tas ligt daarna altijd op dezelfde plek, de accreditatie mag niet op zijn kop. Voor de wedstrijd eet hij een gelletje op de bank, één keer dubbelvouwen, vier keer knijpen. Er staan twee flesjes bij zijn voeten, diagonaal ten opzichte van de baan. Het etiket gericht naar de kant waar hij zo gaat spelen. Tussen de punten door stapt hij niet op de lijnen en zo hanteert Nadal nog heel veel andere regels. Maar begrijp hem niet verkeerd, Nadal is totaal niet bijgelovig. “Want dan zou ik het niet meer doen na een nederlaag. Het is gewoon mijn manier om een wedstrijd te organiseren en orde te scheppen in mijn hoofd.”

Bijgelovige Nummer 14

Johan Cruijff vond het maar niets, die voetballers die bij het betreden van het veld een kruisje slaan. “In Spanje slaan alle 22 spelers een kruisje voordat ze het veld opkomen. Als dat zou werken zou het dus altijd een gelijkspel moeten worden.” Maar Cruijff was zelf ook bijgelovig. Voor de wedstrijd spuugde hij altijd zijn kauwgom op de helft van de tegenstander. En ook zijn rugnummer had met bijgeloof te maken. Cruijff speelde eerst altijd met nummer negen op zijn rug, maar doordat hij wegens een blessure even ontbrak bij Ajax, droeg Gerrie Mühren rugnummer negen tijdens de absentie van Cruijff. Mühren: “Dat is ontstaan in 1970. In de kleedkamer voor de wedstrijd tegen PSV kon ik ineens mijn shirt met mijn vaste rugnummer zeven niet vinden. Dat had ome Jan na het wassen vergeten in de mand te stoppen. Johan kwam net terug van een blessure, zag me zoeken en zei: ‘Trek mijn shirt met nummer negen maar aan’. Vervolgens plukte hij zelf nummer veertien uit de mand.” Ajax wint van PSV, maar een week later wil Mühren gewoon weer het shirt met zeven aantrekken. “Ik had het al in mijn handen, toen Johan ineens zei: ‘Hoho, Gerrie. Tegen PSV ging het zó lekker, laten we maar met dezelfde rugnummers gaan spelen’.” En zo groeide Cruijff uit tot de legendarische Nummer 14.