Steenrijk door de nazi's - de verborgen geschiedenis van het Endstra-imperium

Steenrijk door de nazi's - de verborgen geschiedenis van het Endstra-imperium

Uit de editie van 13 mei 2020: Van Willem Endstra wordt gezegd dat hij tot over zijn oren in de criminaliteit zou zitten, maar ook dat hij een succesvolle zakenman was. Maar wat is de geschiedenis van zijn imperium? Waarmee verdiende zijn opa Minne zijn geld in de oorlog? Een opzienbarend verhaal over Minne’s ‘groote prestaties’ voor de bezetter, nazi-Duitsland.

Maart 1945

Een kleine, corpulente man stapt ‘Auto- Huis Nefkens’ aan de Weteringschans 87 te Amsterdam binnen. Hij is gekleed in een rijbroek en houdt een zweepje in zijn hand – toch opvallende kledij aan het einde van de Hongerwinter, waar anderen zich met het leegschrapen van vuilnisemmers in leven moeten houden.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_top_article');

“Die komt geen nieuwe auto kopen,” denkt Johan Nefkens, die hier sinds begin 1938 zijn zaak in automobielen heeft.

En hij krijgt gelijk. De kleine, corpulente man stelt zich voor als Minne Endstra. Hij vertelt de nieuwe eigenaar van het complex Weteringschans 81-89 te zijn.

En zijn boodschap is helder: of Nefkens maar wil vertrekken – en wel per onmiddellijk. Nu. Want Endstra wil er zijn eigen bedrijf vestigen, een firma in verfspuitinstallaties.

“En zo niet vrijwillig, dan maar via de rechter,” voegt Endstra eraan toe.

Maanden hoort Nefkens niets meer, maar kort na de bevrijding in mei 1945 keert Minne Endstra terug. Wel geheel anders gekleed: blauwe overall, koppelriem, holster met revolver losjes op de heup. Nefkens herkent het ensemble als het ‘uniform’ van de Binnenlandse Strijdkrachten, waarin de verschillende verzetsgroepen zich in hebben verenigd. In zijn hand had Endstra niet langer een zweepje, maar een deurwaardersexploot: een rechterlijk bevel tot ontruiming.

Maar Nefkens laat zich niet zomaar wegjagen. Hij schakelt een bureau in dat bedrijven doorlicht. Op 15 juni 1945 brengt die verslag uit – en dat laat geen ruimte voor twijfel. Nefkens leest dat Minne samen met zijn broer Simon firmant van de handel in verfwaren en vensterglas is. Dat bedrijf is opgericht door hun vader Wijpke in 1911: de firma W. Endstra aan de Beukenweg 12. De verhouding tussen Minne en Simon was niet best, al voor de oorlog niet. Ze werd er in ieder geval niet beter op toen Minne in opdracht van de bezetter vliegvelden in Nederland ging camoufleren, onder het motto: geld stinkt niet.

En Nefkens leest dat Endstra daar rijk mee is geworden. Zo is hij niet alleen eigenaar van Weteringschans 81-89, maar ook van Weesperstraat 123 en Apollolaan 109. Nefkens verbaast zich over de aan- en verkoop van het complex Weteringschans, en dan in het bijzonder over de waardestijging in korte tijd. Het complex – in feite vijf losse panden in één gebouw – was eigendom van NV De Onderlinge Vereeniging van Veehouders tot Verkoop van Zuivere Koemelk. In maart 1945 kocht ene Gerrit Bluming het voor 190.000 gulden. En Bluming verkocht het onmiddellijk door aan Minne Endstra. Voor 300.000 gulden. Een winst van een dikke ton... Is hier belasting ontdoken?

Nefkens leest verder. Het bureau betwijfelt of Minne Endstra die panden mag houden, want hij zou lid van de NSB zijn geweest. Of dat waar is weet Nefkens niet, maar Minne Endstra is overduidelijk een collaborateur, concludeert Nefkens.

Bunkerbouwer voor de bezetter

En dat klopt. Maar die wetenschap hielp Nefkens niets in zijn strijd tegen Endstra. In 1946 moest hij zijn showroom aan de Weteringschans op bevel van de rechter verlaten. Endstra mocht bovendien zijn panden wél houden. Ook Apollolaan 109, het pand waarvoor op 17 mei 2004 kleinzoon Willem Endstra werd geliquideerd. Maar hoe kwam Minne nou aan dat uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten?

Had hij in het verzet gezeten? Sinds wanneer dan? Het antwoord is tamelijk eenvoudig: Minne Endstra was een rasopportunist. Met hersens. Zonder scrupules.

De firma W. Endstra was al ver voor de oorlog een goed renderende zaak. Vader Wijpke Endstra was getrouwd met Cornelia Gerbehij, bij wie hij drie kinderen kreeg, drie zoons: Simon, Mattheus en Minne. Toen Wijpke in 1933 overleed, liepen er tien medewerkers rond en stonden er drie panden op de balans.

Zijn weduwe maakte er een Commanditaire Vennootschap (CV) van, met haarzelf als enige vennoot. Zij overleed in 1937.

Je zou denken: met drie panden en drie zoons hoefde de verdeling van de erfenis geen problemen op te leveren. Maar niets was minder waar. Eerst spanden Simon en Minne samen tegen Mattheus, dwongen hem genoegen te nemen met minder. Mattheus trad daarop uit.

Vervolgens keerde Simon zich tegen Minne. Hij stelde dat hij als oudste ‘morele voorkeursrechten’ had. En toen Minne in 1938 na een auto-ongeluk op sterven na dood in het ziekenhuis lag, hield Simon hem een papier voor dat Minne maar hoefde te ondertekenen… Maar Minne tekende niet, en was daar later heel blij om: Simon had geprobeerd alle macht naar zich toe te trekken.

Als gevolg van dit alles ontbrandde er een juridische strijd die tot eind jaren vijftig zou duren. Deurwaarders liepen af en aan; advocaten overleden, gingen met pensioen of gaven er eenvoudig de brui aan.

De Weteringschans anno 1934.

Kern van de zaak was: door het overlijden van mevrouw Endstra was de CV automatisch een maatschap met vennoten geworden, maar de broers hadden geen contract opgesteld waarin zij hun onderlinge verhoudingen hadden vastgelegd: wie mag wat? Gevolg was dat de vennoten verantwoordelijk waren voor elkaars daden – en wandaden.

Heel goed mogelijk overigens dat juist Minne het voordeel van dit gebrek aan contractuele afspraken inzag. Hoe dan ook, in 1939 begon het Simon te dagen. Dat jaar stuurde Minne zijn huisvriend Abraham ‘Ebi’ Levison naar Brussel om daar een filiaal te openen. Buiten medeweten van Simon om. Levison beschikte echter niet over eigen kapitaal en dus waren alle risico’s voor de maatschap.

De opbrengsten waren uiteraard voor Minne (en Levison).

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, zag Minne zijn kans helemaal schoon. Hij eigende zich het kasgeld toe, graaide het uit te betalen loon uit de kas en nam de complete administratie mee naar huis. De handelsvoorraad sloeg hij elders op, uiteraard zonder Simon te laten weten waar. Vervolgens liet hij nieuw briefpapier drukken. Vrijwel identiek aan het oude, maar dan met zijn privéadres als kantooradres en zijn eigen rekeningnummer als het nummer waarop de Duitsers zijn honorarium moesten storten.

Want dat was zijn nieuwe opdrachtgever: de bezetter. De Duitsers wilden alle vliegvelden in Nederland camoufleren, opdat vijandelijke piloten die vanuit de lucht niet zouden zien liggen. Minne werd bunkerbouwer, de verzamelnaam voor Nederlanders die zich vrijwillig voor de Duitse oorlogsindustrie inzetten. Hij had nog een paar potten grasgroene verf staan, de rest bestelde hij bij de firma Pieter Schoen in Zaandam.

Op 6 juli 1940 diende hij zijn eerste rekening bij de bezetter in, om precies te zijn de Bauleitung van de Luftwaffe Haamstede: 17.900,27 gulden, voor de levering van ‘Farbenspritzapparat und Tarnfarben’ (verfspuit en camouflageverf). Op 20 juli volgde de tweede en op 7 augustus de derde. Bij elkaar een kleine 40.000 gulden.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_middle_article');

Als de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvallen, ziet Minne Endstra zijn kans schoon

Winst, want de rekeningen van Pieter Schoen vielen bij Simon op de mat. Net als na verloop van tijd de dagvaarding van Schoen wegens betalingsachterstand: 26.575,10 gulden. Simon was woedend.

Minne camoufleerde voor de Duitsers niet alleen vliegveld Haamstede, ook de vliegvelden Schiphol, Vlissingen, Katwijk, Soesterberg, Ypenburg, Woensdrecht en Twente. Toen hij op de Oldenzaalseweg in Enschede werd bekeurd omdat hij geen wegenbelasting had betaald, liet hij de boete bij broer Simon bezorgen.

Naast Minne zat een hoge Duitse officier, noteerde de verbalisant nog.

In totaal kocht hij in drie jaar tijd voor 786.896,70 gulden aan verf bij Schoen.

Om een en ander soepel te laten verlopen, betaalde hij in die periode 91.600 gulden aan steekpenningen. Daar moest een rechercheur van politie ruim 33 jaar voor werken...

Minne (uiterst rechts) en zijn vrouw (tweede van links).

Simon was behalve woedend ook strijdvaardig: hij spande de ene rechtszaak na de andere tegen Minne aan. Maar die liet zich ook niet onbetuigd. Legde Simon voor 140.000 gulden beslag op bezittingen van Minne, dan duurde het niet lang of Minne legde voor exact hetzelfde bedrag beslag op bezittingen van Simon.

Een enkele keer won Simon, maar meestal verloor hij. Minne kon immers geen contract schenden dat niet was opgemaakt. En bovendien kon Simon geen administratie tonen om zijn claims te onderbouwen. Los daarvan: beiden maakten in de rechtszaal zoveel kabaal dat de rechters niet in staat waren te oordelen aan wiens grieven meer geloof moest worden gehecht.

Investeren in stenen

Minne kon kopen wat hij wilde, zo leek het. Hij bezat twee luxepersonenauto’s, waaronder een La Salle, en twee zeilboten. Maar hij had dan ook twee vrouwen: zijn wettige en een buitenechtelijke uit Hamburg, een zangeres die volgens een chauffeur van Minne voor de Sicherheitsdienst werkte. Volgens zijn huishoudster had zijn echtgenote gedreigd zelfmoord te plegen als hij die relatie niet zou beëindigen. Minne zou haar toen geantwoord hebben dat hij dat niet kon omdat hij via deze zangeres opdrachten van de Duitsers zou krijgen.

En op één dag kocht hij voor 4.127,75 gulden zilver bij W.J.J. van Pampus.

Maar het meeste geld investeerde Minne in stenen, zoals meer bunkerbouwers. Hij werkte daarbij samen met zijn accountant Petrus Nanno Peerlkamp, notaris Erik Bennink Bolt en kandidaatnotaris Karel Hendrik Wallien, die bij Bennink Bolt op kantoor werkte.

Onthoud die namen.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Panorama van 13 mei 2020. Benieuwd naar de rest van het verhaal? Lees het verder op Blendle.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_bottom_article');

Laatste nieuws