Lammert en Hendrik Hingstman zijn de Hunebed Hunters

Lammert en Hendrik Hingstman zijn de Hunebed Hunters

Wichelroedelopen is een eeuwenoude manier om verborgen schatten op te sporen, maar wordt door de wetenschap weggezet als hocus pocus van de bovenste plank. Toch geloven vader Lammert (77) en zoon Hendrik (53) Hingstman uit Drenthe er heilig in. Sterker nog, ze beweren er het 55ste hunebed van Nederland mee te hebben ontdekt. Hij zit alleen nog onder de grond.

Aan tafel in hun huis in het Drentse dorp Bronneger houdt Lammert Hingstman opeens twee splinterdunne L-vormige ijzerdraadjes onder mijn neus. “Kiek, mien jong,” zegt hij in onvervalst Drents.

“Dit binne wichelroedes.”

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_top_article');

Wat ik precies van de toverstafjes van de familie Hingstman had verwacht toen ik vanochtend in het donker in mijn auto stapte en vanuit de Randstad ruim 250 kilometer naar Drenthe reed, dat weet ik ook niet precies. Maar in ieder geval niet dat ze eruit zouden zien alsof ze zojuist van een rol ijzerdaad bij de Gamma zijn geknipt.

“Híermee kun je van alles in de grond vinden?” vraag ik vol ongeloof.

De wichelroede gaat van vader op zoon.

“Absoluut,” zegt zoon Hendrik. “Of het nou een steen is of een waterleiding, alles dat in de grond zit, verstoort de magnetische straling. Omdat jij als mens positief negatief geladen bent, slaat de wichelroede daar op uit.”

Voor mij klinkt het als een truc van Hans Kazàn. “Stél dat het waar is,” zeg ik met een zo groots mogelijk voorbehoud weerklinkend in mijn stem, “dan wil ik nog best geloven dat je er metaal mee kunt opsporen. Maar een hunebed?”

Op het gezicht van Hendrik verschijnt een glimlach. “En niet zomaar een hunebed, hè,” zegt hij.

“Waarschijnlijk nog de grootste van Nederland ook.”

In de rode cirkel: een afgebroken hunebed?

Een foto uit 1910

Zelden wordt er in ons land een hunebed ontdekt: een prehistorische grafkamer uit de periode 4000 tot 3000 voor Christus. De laatste keer dat dit gebeurde, is bijna veertig jaar geleden, in 1983. Toch beweert de familie Hingstman er in amper anderhalf jaar tijd drie te hebben opgespoord.

De eerste zelfs in hun eigen voortuin.

Het begint voor de Hunebed Hunters allemaal rond augustus 2019. Op een geërfde foto van zijn net overleden grootmoeder ontdekt Hendrik iets opvallends. De foto stamt uit 1910 en is gemaakt voor het huis waar vader en zoon nog altijd wonen en waarop vier mannen poseren met drie paarden.

Zelf zie ik er in eerste instantie niets geks op wanneer Hendrik mij trots de foto toont, maar zijn ogen die net zo goed van een rechercheur hadden kunnen zijn, zien op die dag nu bijna anderhalf jaar geleden achter een van de paarden een stapel stenen liggen.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_middle_article');
Verslaggever Van Nugteren (rechts) gaat in de leer bij hunebedhunter Lammert Hingstman.

Stenen die volgens hem op een afgebroken hunebed duiden. Ook de deksteen, in feite het dak van het hunebed, staat in zijn ogen op de foto afgebeeld, een eindje verderop van het stapeltje stenen dat dan de draagstenen moeten zijn. Als Hendrik verder op onderzoek gaat, vindt hij een hoogtekaart uit 1870 en ontdekt hij dat er aan de voorkant van hun huis een opvallende verhoging van de grond moet zijn geweest, iets wat onder meer op de aanwezigheid van een hunebed kan duiden. Tot zover het speurwerk van de zoon van de familie. Vervolgens is het de beurt aan vader Lammert. Zijn werkwijze is minder De Cock-achtig. Wat hij doet, is op ontdekkingsreis gaan in zijn eigen voortuin met natuurlijk zijn toverstafjes: de wichelroedes. Op verdacht veel plekken waar hij een voetstap zet, trekken de ijzerdraadjes opvallend veel naar elkaar toe, het teken dat ze iets gevonden hebben. Die plekken markeert hij door houten paaltjes in de grond te slaan en daaraan wit afzetlint te laten wapperen. Voor vader en zoon stapelt het bewijs zich op en is het inmiddels wel duidelijk: hier heeft vroeger een hunebed gestaan.

Maar hoe overtuigd zij ook zijn, de gemeente Borger-Odoorn is dat een stuk minder. De brief die de familie heeft gestuurd met daarin de melding van een mogelijk archeologische vondst en het verzoek tot een archeologisch onderzoek, is in de kast beland.

De gemeente gelooft niet in de techniek van de wichelroede. Wat bovendien misschien ook een rol speelt, is dat vader Lammert geen vlekkeloze reputatie heeft. Op zijn deurmat viel ooit een brief van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek met hierin een aangekondigd spit-en graafverbod in de Drentse bodem omdat hij een amateurarcheoloog zou zijn.

Zelf benadrukt hij vooral dat hij in 1977 op een zijn akkers met zijn ploeg bleef steken in een partij zwerfstenen, dat na onderzoek een middeleeuwse keienweg bleek te zijn en sindsdien te bewonderen is in Veenmuseum ’t Aole Compas. In zijn schuur heeft hij ook een heus privémuseum ingericht met allerlei door hem opgegraven botten en scherven die van prehistorische potten zouden zijn. Desondanks kregen de twee Hingstmannen ook bij hun tweede mogelijke vondst van een afgebroken hunebed, door Hendrik ontdekt op een oude foto genomen op een veldje in Bronneger, de gemeente Borger-Odoorn niet zover de zaak tot op de bodem uit te zoeken.

Hendrik: “Voor het feit dat die twee hunebedden zijn afgebroken, is een heel logische verklaring.

Dat gebeurde namelijk veel vaker. Van de 105 hunebedden in Nederland waarvan bekend is dat ze hebben bestaan, zijn er momenteel nog 54 over. De rest is verdwenen. Hoogstwaarschijnlijk afgebroken om de stenen te verhandelen.

In de tijd van de VOC dienden stenen als oeververdediging voor de kustprovincies, nadat de schepen uit Oost-Indië per ongeluk en zonder dat ze het wisten de paalworm in hun houten schepen hadden meegenomen. Die vrat heel de houten kustverdediging op. Beton was er nog niet, dus moesten ze voortaan steen gebruiken.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_bottom_article');

Benieuwd naar de rest van het artikel? Lees het in de nieuwste Panorama of bekijk het op Blendle.

Laatste nieuws