Door: Martijn Haas Fotografie:
Misdaad
15

Misdaadklassieker: Buiten gevecht in Buitenveldert

De Panorama-misdaadklassieker is deze week gepubliceerd in 2012. Een doorwrocht portret van Sam Klepper. Sam Klepper:...

De Panorama-misdaadklassieker is deze week gepubliceerd in 2012. Een doorwrocht portret van Sam Klepper.

Sam Klepper: van brommerdiefje tot ‘onze’ gevaarlijkste crimineel ooit

Buiten gevecht in Buitenveldert

Precies twaalf jaar geleden werd Sam Klepper neergeschoten in Buitenveldert. Panorama’s misdaadverslaggever Bas van Hout haalt herinneringen op aan de legendarische crime boss en legt uit wat de gevolgen zijn geweest van zijn liquidatie.

Tekst Bas van Hout Foto’s ANP, Hollandse Hoogte e.a.

Het was een absurd moment die 10de oktober 2000, een scène uit een maffiafilm. De man die met gespreide armen op het asfalt lag, had ik kort daarvoor nog gesproken over zijn veiligheid, het gevaar dat hij liep en over de vraag waarom hij niet gewoon met die onzin stopte. Dat wilde hij wel. Hij had immers meer dan een vermoeden dat hij de volgende op de liquidatielijst was. Ruim twee weken eerder was zijn vriend Jan Femer aan de beurt was geweest. Een moord waarbij ogenschijnlijk niet erg hard werd gezocht naar de daders. Om die reden vreesde Klepper het ergste. Hij bleek op wrange wijze visionair.

Zijn schoudertas met kogelwerend kevlar lag nutteloos naast hem. Aan het oog van de schouderband hing een tweeschots .22 vuurwapen in de vorm van een autoafstandsbediening. Het wapen was ongebruikt.

Drie kwartier eerder had ik een telefoontje gehad van John van den Heuvel. “Met John, er is net een liquidatie geweest op het Gelderlandplein, het is niet zeker wie er is doodgeschoten, Willem Holleeder wordt genoemd...” Ik maakte razendsnel een afweging, wie was het meest voor de hand liggende slachtoffer: Willem, Johnnie of Sam? Ze waren alle drie frequente bezoekers van Kleppers penthouse aan het Gelderlandplein met uitzicht op de politieburelen aan de overkant. Ik gokte op Sam. Maar die had ik kort daarvoor nog aan de lijn gehad. Daarentegen was het ook Sams eigen inschatting geweest dat hij de volgende was. Dus belde ik Sams mobiele nummer. De lijn was dood, de eigenaar ook...

Klepper was met een salvo uit een pistoolmitrailleur koelbloedig doodgeschoten terwijl zijn lijfwacht naast  hem liep. Vier kogels van korte afstand afgevuurd vanuit een paraplu maakten effectief een einde aan zijn gewelddadig regime dat twee decennia had geduurd. Een gevreesd regime, dat alle specialismen in het criminele spectrum omspande, van overvallen, drugshandel, bedreiging, marteling, afpersing tot moord. Een van de gevaarlijkste mensen in de Nederlandse criminele historie was in zijn eigen zwaard gevallen.

Sam Klepper en Johnnie Mieremet kenden elkaar uit de Amsterdamse Kinkerbuurt, waar ze samen op school zaten. Vanaf  begin jaren zeventig waren ze al onafscheidelijk en maakten ze de buurt onveilig. Kattenkwaad, handel in illegaal vuurwerk op het schoolplein... Ze jatten geroutineerd tientallen Kreidlers en Zündapps per maand, bij voorkeur van Duitse toeristen.

Simon (Sammy) Klepper was de rustige van het duo. Hij keek de kat uit de boom, maar verborg efficiënte daadkracht in zich. Hij was degene die de opzetjes uitdacht, de plannen vormgaf en dingen gedaan kreeg. Met z’n tweeën waren ze de perfecte criminele match. Jarenlang kon niets of niemand die band verbreken. Johnnie was populair onder leeftijdsgenoten, ondanks de grote bril op zijn neus. Rappe babbel, driftkikkertje, hondsbrutaal, handig knokkertje en voor niemand bang.

Voor hun 18de waren ze gevuld, met 20 rijk en met 25 miljonair. Ze verdienden bakken met geld. Als je uit de Kinkerbuurt kwam, rijk wilde worden en alleen zwemdiploma’s had, dan had je maar één optie: crimineel worden. En dat werden ze dus. De hardste en rijkste criminelen van Nederland, en ver daarbuiten.

Zij groeiden uiteindelijk uit tot een roemruchte dynastie van profs en lieten daarmee een erfenis na waarmee de Nederlandse justitie tot op de dag van vandaag worstelt.

Sam en John kregen hun alias Spic & Span vanwege hun propere manier om ‘problemen’ uit de weg te ruimen. Je was vriend of vijand. Een vriend was om geld mee te verdienen en voor een vijand was het exit. Een tussenweg bestond niet. Bij die twee trok je altijd aan het kortste eind, ook al stond je in je recht. Dat was hun reputatie en die bevestigden ze keer op keer. Hun hobby’s:  auto’s, technische snufjes, contraspionage, spelletjes, wapens en ‘verfijnd’ geweld.

Doorzeefd met kogels

December 1996: de man van een jaar of 35 schoof onaangekondigd bij ons aan. Hij was niet groot, licht kalend en keek me emotieloos aan met diepliggende, half geloken ogen. Hij gaf een slap handje en zei: “Ik ben Sam. Ik hoor links en rechts dat je naar ons op zoek bent. Dat je bezig bent met een boek. Zeg het maar.”

Hij schoof aan naast Mink K., die de ontmoeting had geregeld. Hij had gehoord dat ik werkte aan het boek De erven Bruinsma.

Er speelde een glimlach op het gezicht van de jonge misdaadondernemer. ”Er is maar één reden om mee te werken aan jouw boek. Je kunt een onzinverhaal schrijven of je krijgt de informatie uit de eerste hand, rechtstreeks uit de bron. Gewoon, de feiten. Niet mooier, niet lelijker.” Hij keek me strak aan en zei toen, alsof we net een zakelijke deal hadden gesloten: “Je mag schrijven wat je wilt, maar geen onzin. Over mijn familie moet je niets publiceren. Die staan buiten mijn criminele leven...” 

De toon en de non-verbale presentatie van het decreet lieten inderdaad geen ruimte voor misverstanden. Maar voor alle zekerheid voegde hij er aan toe: “Oh ja, als je je daar niet aan houdt, als je me verneukt, dan schieten we je dood...”

Dit moest volgens hem worden gezegd om misverstanden te voorkomen. Want Sam ontdooide tijdens onze latere ontmoetingen. Ik begon hem zelfs te leren kennen als een man met humor. Penozehumor, dat wel, maar hij bleek altijd in voor een geintje. Helemaal als dat ook nog wat geld opleverde. Hij vertelde mij eens dat hij eind jaren negentig de auto van Datex-topman Willem Smit in Buitenveldert had laten doorzeven met een mitrailleur. De multimiljonair Smit had volgens hem het vriendinnetje van een Russische Don ‘Penozef’ in café Lexington beledigd. Dat Willem Smit niet altijd de meest verfijnde manieren had met een slok op en dames in de buurt was een feit. Maar dít incident had nou net níet plaatsgevonden. Maar dat was een detail en details deden er niet echt toe. Het had wel gebeurd kúnnen zijn, want zo was Smit inderdaad. De naam van de Don was dus verzonnen en de belediging ook. Maar wist Smit veel. Hij  betaalde een kwart miljoen dollar aan Sam en Sjon om aan de wraak van de  Russische maffiabaas te ontkomen. De groep Klepper-Mieremet ‘bemiddelde’ voor Smit in het conflict en kwam zogenaamd tot een bevredigend compromis. Ze garandeerden Smit dat hij verder met rust gelaten zou worden.

Lijfwacht uit Bosnië

De laatste weken voor zijn dood was Sam duidelijk minder vrolijk. Zijn goede vriend en crime boss Jan Femer was op 23 september 2000 – twee weken voor Kleppers eigen dood – op de Haarlemmerdijk geliquideerd door twee gehelmde mannen op een motorfiets. ‘De Snor’ had geen schijn van kans gehad. Wat Klepper het meest stoorde was dat er geen antwoord kwam uit zijn club. Ik heb met hem daarover gesproken. Hij wilde filosoferen over wie de daders konden zijn die zijn gabber hadden omgelegd. Wie, wat, waarom!? Het was voor iedereen duidelijk: de Femer-liquidatie was een high-profile moord. ”Als Jan kan worden omgelegd, dan is niemand veilig, wij ook niet,” concludeerde Klepper. “Ik maak me druk, lig tussen de zandzakken en zij gaan, zonder beveiliging, fluitend in de rondte. En Jan was hún partner.”

Die gedachte liet Klepper niet meer los in de twee weken voor zijn dood. Hij voelde dat hij de volgende kon zijn. Niemand zou Femer hebben omgelegd zonder dat ‘de raad van bestuur’ daar toestemming voor had gegeven. Of  anders zou er met man en macht gezocht moeten worden naar de opdrachtgevers. Maar sancties en zoekacties naar de daders bleven uit, constateerde Klepper. De overige leden van de Delta-groep leken op hun lauweren te rusten, waren niet in paniek en bestierden kennelijk hun zaken alsof er niets was gebeurd.

Hij vermoedde dat hij nu aan de beurt was en had verregaande veiligheidsmaatregelen genomen: kevlar-bescherming, wapens en een anti-sniper. De moordenaar moest van goeden huize komen om hem om te leggen, zei hij. Toch voelde hij zich niet in zijn comfortzone, dat was duidelijk. Hij wilde ‘uitstappen’ met een paginagrote advertentie in De Telegraaf. Of ik dat een goed idee vond. “Nee, een onzinnig idee,” wierp ik tegen. “Als je uit wilt stappen, stap je uit, stil en anoniem in een ver buitenland.” Klepper knikte, alsof hij wilde zeggen dat hij het eigenlijk ook niet zo’n goed idee vond.

De laatste keer dat ik Klepper ontmoette was in café Wildschut aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Hij zat achter in de zaak en vertelde dat hij wachtte op een lijfwacht. Die kon elk moment ingevlogen worden vanuit Bosnië. De Bosniër, luisterend naar de naam Farid, was lid van de beruchte anti-sniper unit van een beruchte generaal daar. Klepper had alle vertrouwen in zijn nieuwe schild.

Voor de deur van Wildschut namen we afscheid. Definitief zou een paar dagen later blijken. Klepper vertelde me nog dat hij een belangrijke afspraak had die meer licht moest werpen op de liquidatie van Jan Femer. Hij had een afspraak met ‘de Pet’, een belangrijk contact van Femer. De Pet was jargon voor een belangrijke informatiemakelaar, die het criminele netwerk van Klepper, Mieremet, Femer, Mink K. en Stanley Hillis tegen betaling van gevoelige politieinformatie voorzag.

“Dan weet ik wel met wie jij een afspraak hebt,” prikkelde ik Klepper. Femer had mij namelijk voor zijn dood aan hem voorgesteld. Ex-politieman ‘Hans’ had – onder zachte dwang van de Snor — volledige openheid van zaken gegeven over zijn dubbelrol bij de politie en het criminele milieu. Klepper schrok en leek aangeslagen. Hij drukte me op het hart: “Dat is echt levensgevaarlijk. Publiceer die naam alsjeblieft niet. Dan breekt de pleuris uit...” Daarna stapte hij in, gebaarde druk tegen Mieremet en reed weg. Dat was de laatste keer dat ik Klepper zag.

Na de moord naar Moszkowicz

Op 10 oktober 2000 verlieten Klepper, lijfwacht Farid en Kleppers linkerhand ‘Petertje’ het penthouse aan het Gelderlandplein in Buitenveldert. Farid droeg een grote televisie en kon dus niet snel reageren toen Klepper van achteren werd neergeschoten. Later werd geopperd dat de lijfwacht het tijdstip van Kleppers vertrek mogelijk had weggetipt aan het moordeskader en dat de moordenaars er op voorhand van waren verzekerd dat Farid niet of mis zou schieten. Die visie werd ook ondersteund door de aanwezige Petertje. Die moest de ervaren scherpschutter zelfs aansporen om terug te schieten. Het enige wat hij raakte was een flatgebouw en een bejaarde man. De conclusie over deze aanslag was: inside job.

Sam was in zijn eigen zwaard gevallen. Hij werd een bedreiging en had zijn ‘Endstra-beleggingen’, zo’n 100 miljoen gulden witgewassen in panden, teruggeëist. Anders zou hij Willem Endstra en zijn broer en rechterhand Haico persoonlijk en met plezier afslachten. Iedereen had de dader kunnen zijn. Volgens eigen zeggen had het duo ‘een buslading’ slachtoffers’ op hun geweten. Was het een wraaklustig familielid, een van de tientallen investeerders in het criminele Endstra-fonds, een gabber of een concurrerende bende geweest? Of waren het eigen vrienden die genoeg hadden van dit duo en hun geweldsmonopolie in het milieu. Had Klepper het bij het goede eind toen hij dacht dat een aanslag uit zijn eigen kring zou komen? Alles wees in die richting.

Het was een verrassend telefoontje. De avond na de liquidatie van Sam Klepper belde Willem Holleeder me op voor een afspraak. De toon was opmerkelijk vriendelijk. Voor die 10de oktober ‘kende’ ik Holleeder immers niet. Die behoefte was er ook nooit geweest. We lagen elkaar kennelijk niet.

Willem Holleeder was een belangrijke wagon in de trein van Klepper-Mieremet. Eentje die vroeg of laat ‘losgekoppeld’ dreigde te worden.

In café Lexington zag ik Willem wel geregeld in de entourage van Klepper en Mieremet. Hij groette me altijd koeltjes, uit een soort penozehoffelijkheid. Holleeder kon erg vuil kijken en stak zijn minachting voor ‘mijn soort’ niet onder stoelen of banken. Willem had niets met journalisten, ik niets met Willem. Hij zag het ook niet zitten dat Spic & Span meewerkten aan mijn boek. Holleeder vroeg of ik die avond nog naar het kantoor van Bram Moszkowicz aan de Spiegelstraat wilde komen.

De altijd formele Moszkowicz begroette me amicaal en informeel. Overhemd zonder stropdas, opgestroopte mouwen. Johnnie Mieremet omhelsde me. Hij was helemaal emotioneel door het verlies van zijn bloedgabber. Hij was aangeslagen en had gehuild. De rood omrande ogen lieten oprecht verdriet zien, maar hij hield zich flink. Mieremet maakte grappen dat de tv nog heel was die lijfwacht Farid had gedragen. “Daardoor heeft hij niet op tijd terug kunnen schieten, hij had z’n handen vol.”

In het majestueuze kantoor van mr. Bram wilde Mieremet weten of ik een idee had wie Sam had vermoord, wat ie tegen mij had gezegd toen ik hem kort daarvoor had gesproken. Sam had me verteld dat hij ervan overtuigd was dat Jan Femer in de val was gelokt en vermoord door zijn eigen achterban. En dat hij de volgende zou kunnen zijn. Dat er tegenmaatregelen en actie zou worden ondernomen was overduidelijk. Mieremet zou het hier niet bij kunnen laten, noch voor zijn gabber, noch voor zichzelf. Hij ging met alle mogelijke middelen op zoek naar de dader. De wraak voor de moord op Sam Klepper zou niet lang op zich laten wachten (zie naschrift).

Opgebaard bij Hells Angels

Een week na de liquidatie werd ik uitgenodigd in Angel Place, het clubhuis van de Amsterdamse Hells Angels, voor de opgebaarde prospect Klepper. Sam Klepper, alias 666, Satans sofinummer, wachtte een ‘staatsbegrafenis’ in Angel-stijl. Het was een mooie kongsi geweest: de openlijke macht van de motorgroep, en de bikers die weer profiteerden van de reputatie en het criminele netwerk van de prospect. Kosten noch moeite werden gespaard om Klepper een maffia/Angel-waardige uitvaart te bezorgen. Politiebegeleiding en observatie, uitgestippelde route door de Jordaan, langs het hoofdbureau van politie en de beierende klokkentorens van de Westerkerk, vuurwerk, motorstoet. Eindbestemming: begraafplaats St. Barbara aan de Spaarndammerdijk. Meer dan 500 belangstellenden.

Tout crimineel Nederland was voorafgaand aan de begrafenis aanwezig geweest bij het afscheid in Angel Place aan de Wenckebachweg. Afwezigen bij die ceremonie waren per definitie suspect. Buiten de poort straalden de observatiecamera’s hun data over naar het hoofdbureau van politie en werden de ‘rouwenden’ nauwgezet in kaart gebracht.

Il presidente Willem van Boxtel, in vol ornaat, wachtte me op bij de poort. Er was een extra ‘feesttent’ bijgezet op het terrein om de honderden gasten te ontvangen. Willem en ik zagen elkaar niet vaak. Maar als we elkaar zagen, was het een joviaal weerzien. We kenden elkaar sinds de jaren zeventig, toen Van Boxtel zich handig een positie trachtte te verwerven in het ‘penozebolwerk de Wallen’. En dat lukte hem goed. Willem was een handige straatdiplomaat. Deed nooit boute of gevaarlijke uitspraken, had voor de buitenwereld een onberispelijke staat van dienst, was goeie maatjes met het gemeentebestuur en had een wapenmachtiging voor een vuurwapen met munitie, dat hij thuis mocht bewaren. Dus had hij kennelijk een blanco strafblad, anders kon je zo’n ‘bewijs van goed gedrag en geweldloosheid’ wel vergeten. Kortom, de ideale knuffel-Angel. Nu was hij de ceremoniemeester van zijn ‘ondergeschikte’ prospect 666.

Willem troonde me mee naar het heilige der heilige van de club. We liepen langs tal van zakenlui, COC’s (captains of crime) en andere roemruchte leden van de Nederlandse penoze. Willem Holleeder, Johnnie Mieremet, Willem Smit, Harry S., Donald G. en Etienne U. waren bezoekers van het honk.

President Van Boxtel begeleidde me in de donkere, naar schraal bier stinkende ingewanden van het clubhuis langs de oude bar, die grensde aan de opbaringsruimte. De prospects voorzagen de gasten rijkelijk van drank. De jongste zoon van Sam telde guldens die hij had gekregen voor het halen van drankjes. Sams weduwe Sandra begroette me vriendelijk.

Op de achtergrond dreunde Riders on the Storm van The Doors. De president, zijn ene hand stevig op mijn schouder om me niet kwijt te raken en de andere hand gebruikend om ‘rouwenden’ weg te duwen, baande zich een weg naar het ‘sanctuarium’, een kleine, met zwarte doeken gedrapeerde ruimte.

Spic, de criminele wederhelft van het duo Spic & Span, lag in het midden van de gordijncirkel opgebaard in een luxe kist. Full clubcolours, handen gevouwen over zijn bikerjack, custom Harley Davidson Fatboy met oranje tank aan zijn zijde. Hij droeg een vette, platina AFFA-armband (Angels forever, forever Angels), belegd met diamanten ter grootte van maiskorrels. De airco onder de kist zoemde luidruchtig. De gevreesde crime boss had een serene uitdrukking op zijn gezicht. Het leek alsof hij zich elk moment kon uitrekken en ‘Zo, ’t is weer leuk geweest’ kon uitroepen. Maar Sam bleef liggen.

Doodstil.

Achteraf kun je zeggen dat de liquidatie van Sam Klepper de klopjacht door justitie op de Angels heeft ingeluid. Die klopjacht is nog steeds gaande. Ook zou de moord hebben geleid tot de dood van die andere legendarische, Nederlandse crime boss. Want zoals gezegd: Mieremet wilde de moord op Sam Klepper wreken, en snel ook. In de nacht van 20 op 21 december 2000 werd voor de tweede keer een aanslag op Cor van Hout gepleegd. Als antwoord op de liquidatie van Sam, een liquidatie die Cor juist níet had gepleegd…