Ik ken Sander Meyer, oprichter van Stichting Coldcasezaken, al een tijdje. Heb een zwak voor hem en niet alleen omdat hij zich er na een nare ziekte bovenop heeft moeten knokken. Sander heeft van zijn stichting een levenswerk gemaakt. Wat begon als een site vol kinderziektes, is een instituut geworden. Een instituut zonder geld, want Sander – wiens kantoortje op Sicilië bestaat uit een wiebelig tafeltje met een zoemende ventilator op de achtergrond – moet het hebben van donaties.
Intussen geeft hij naam na naam terug aan onbekende doden. Een jongen uit Egypte, dood gevonden in België, herkend via een vervalst Frans document. Een man die 31 jaar naamloos in een Amsterdams graf lag. Een onbekende dode, 21 jaar geleden gevonden in de duinen bij Wassenaar, dankzij een sleutelbos en een lijst adressen in Bottrop uiteindelijk geïdentificeerd als de Duitse Eva Maria Pommer. Of Eric Engers, een Almeerder die in 2008 verdween tijdens een Amerikareis. Sander wist een foto van hem te koppelen aan een naamloze John Doe, opgevist uit de East River in New York. Het bleek te gaan om de Almeerder. En recent wéér een succes, waar ik straks op terugkom.
Is iedereen blij met Meyer? Niet echt. Tussen de stichting en politie en justitie is sprake van een haat-liefdeverhouding. De politie deelt informatie liever niet met een particulier initiatief, Meyer vindt op zijn beurt dat de overheid te voorzichtig en terughoudend is. Niet zo lang geleden leidde dat tot gedoe, waar Sander met enig ongemak op terugkijkt.
Het begon met een idee; Meyer vond dat daklozen en onbekende doden te weinig aandacht kregen. Er bestaat een Wereld Diabetes Dag, een Dag van het Naakt Tuinieren, een Dag van de Stoofpot; waarom dan geen Onbekende Doden Dag? Hij vroeg de politie om steun. Die wilde niet. Meyer deed het toch, met een paar honderd euro eigen geld. Op de Grote Markt in Den Haag hing hij een spandoek met de foto van een naamloze man, dood aangetroffen in de stad. Erboven: ‘Wie was ik?’
Diezelfde dag nog belde de politie. De doeken moesten eraf, of de gezichten eruit. Een kind dat erlangs liep zou kunnen schrikken. Sander had daar weinig begrip voor, het was net Halloween geweest, met griezelmaskers en doodshoofden op elke straathoek en daar klaagde niemand over. Hij zei: “Haal het er zelf maar af, ik laat ze hangen.” Er volgde een verhitte discussie. De gemeente bemiddelde. De burgemeester gaf de spandoeken twee weken uitstel.
Toen gebeurde het. Een voorbijganger herkende het gezicht en meldde zich. De man had zichzelf ooit Miloud genoemd, zei de tipgever, afkomstig uit Rabat, decennialang dakloos in Den Haag. Die tip leidde naar een mogelijke neef in Marokko, toen naar een broer in Italië, uiteindelijk naar het NFI dat met een DNA-match de cirkel sloot. Tien jaar na zijn dood in het voormalige ziekenhuis Leyenburg kreeg de man zijn naam terug.
Hij wil de recherche niet voor de voeten lopen. Liever geeft hij, vanuit zijn bescheiden kamertje, namen terug aan onbekende doden
De teller staat nu, met Miloud erbij, op vijf. De ironie is dat de instantie die de actie tegenwerkte er uiteindelijk zelf van profiteerde. Het coldcaseteam nam het stokje over zodra de stichting de cruciale aanwijzing had binnengehaald; een aanwijzing die er zonder die omstreden spandoeken nooit was gekomen. Daarom is Sander Meyer precies de juiste man voor dit soort koppige en gewaagde initiatieven. Zelf de straat op om sporen te zoeken, verdachten te benaderen of bewijs te verzamelen, dat doet hij niet. Hij wil de recherche niet voor de voeten lopen. Liever geeft hij, vanuit dat bescheiden kamertje op Sicilië, namen terug aan onbekende doden. En als daar een spandoek voor nodig is, op een plek waar de politie het liever niet ziet hangen, houdt niemand hem tegen.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct