MICHA JACOBS: Weet je nog, een paar weken geleden? Ik had nogal een grote bek over volwassen kerels in voetbalshirts. Dat het nogal treurige types waren, vooral als ze ‘m ook op een doordeweekse dag in de supermarkt droegen, met zo’n vleesbal (lees: bierbuik) die eronderuit kwam. Nee, mij zou je nooit in zo’n ding zien rondlopen, blaatte ik. Twee keer raden wat ik anderhalve week geleden heb gekocht.
Ik stond op het Waterlooplein in Amsterdam waar mijn oog viel op een kraampje waar ze replicashirts van het EK in 1988 verkochten, je weet wel: een shirt met eeuwigheidswaarde. Niet alleen door de herinnering die eraan kleeft, maar vooral ook door de lelijkheid ervan. Ik zeg bewust replica, want dan lijkt het nog ergens op. Ik had ook nepperd van 19,50 euro kunnen zeggen die het ook uitstekend zal doen als aanmaakblokje van de barbecue. Hou er maar een vuurtje tegenaan en je verandert binnen een halve seconde in een wandelende lucifer. Hij lijkt ook in de verste verte niet op het origineel: er staat groot ‘Holland’ op de ene borst en een Nederlandse leeuw op de andere, al is die dusdanig misvormd dat ‘ie meer wegheeft van een spitsmuis met een hazenlip. Maar ik doe het ermee: het rugnummer van Van Basten, 12, klopt dan weer wel.
Zondagavond Nederlandse tijd begint Oranje dan eindelijk aan het WK tegen Japan, al is het voor mij dan maandagochtend, aangezien ik mij inmiddels in Sydney begeef en de aftrap om 6.00 uur zal zijn. Ik vind het ergens wel wat hebben, met Van Basten op mijn rug aan een bierontbijt beginnen in de Australische ochtend. Áls ze het daar op dat tijdstip al schenken, maar dat zal toch wel? De Australiërs die ik in mijn leven heb meegemaakt dronken de hele dag door, van ontbijt tot slaapmuts, dus het vinden van alcohol zal het probleem niet zijn. Misschien wel het vinden van een groot scherm als de vogeltjes fluiten.
De kans bestaat natuurlijk dat ik die nacht gewoon zal doorhalen en dat mijn delirium dusdanig groot zal zijn dat ik niet eens toekom aan de wedstrijd, maar gelukkig heb ik mijn lever de laatste tijd goed getraind. Ik besef ineens wel dat ik sinds ik alcohol drink, laten we zeggen een jaar of 30, ik nog nooit een eindtoernooi heb meegemaakt waarin ik compleet nuchter de wedstrijden van Oranje heb gezien. Jij? Gaan mensen jou ook nog in het café zien of lig je straks als een zak aardappelen op de bank?
THOMAS BRAUN: Ik wil al die mensen die mij al die jaren op mijn verjaardag de mooiste cadeaus hebben gegeven niet tekort doen, maar het allermooiste cadeau dat ik ooit kreeg, was vier jaar terug van mijn zoon. Een prachtig Anderlecht-shirt, hét shirt uit de jaren zeventig, met op de achterkant de naam van mijn grote held Rob Rensenbrink. Niet zo’n glad, polyester condoom waar jij je zo schaamteloos in hebt gehuld, maar gewoon nog van katoen.
Onlangs schonk Andere Tijden Sport uitgebreid aandacht aan het Slangenmens, met wie ik me zo verbonden voelde, dat elke keer dat ik Arie Haan en Jan Mulder lovende woorden over de grote uitblinker van het WK in 1978 hoorde spreken, ik het gevoel kreeg dat ze het tegen mij hadden. Dat klinkt aanmatigend, maar Robbie was van mij en van mij alleen. Niemand was in die tijd fan van Rensenbrink, alle jongetjes in mijn buurt hadden het over Cruijff en Van Hanegem.
In België is hij nog steeds een halfgod (in de documentaire was te zien hoe hij vlak na zijn dood in 2020 geëerd werd door het Anderlecht-publiek, met vrouw Corrie, zoon Dennis en dochter Kim huilend op de middenstip). Hier in Nederland heeft iedereen het alleen maar over die bal op de paal. Ten onrechte, schreef Volkskrant-journalist Paul Onkenhout al eens: “In Argentinië toonde hij zijn formidabele techniek, superieur en gracieus, als een synthese tussen Cruijff en Keizer. Het is daarom een bijzonder tragische onvolkomenheid van de geschiedenis dat de naam van Rensenbrink alleen nog maar verbonden is aan een schot op de paal.”
Ik heb dat shirt van mijn zoon overigens nooit aan, ik vind net als jij volwassen mannen in een voetbalshirt nogal sneu. Hij hangt thuis, op een mooie plek, en herinnert mij steeds weer aan het WK van ‘78. En nu antwoord op jouw vraag of ik ook altijd dronken was tijdens WK-wedstrijden.
Welnu, ik vergeet nooit dat ik in een uitpuilende kroeg Nederland-Argentinië keek in ‘98. Ik moest pissen, maar het was nog maar twee minuten. Ik hield ik het niet meer en de weg naar de wc was een onbegaanbare, vanwege al die zatlappen in De Paal in Wijk aan Zee (De Paal, daar was ie dan tóch weer). Ik rende naar buiten, zeek een tuin vol en op dat moment ontplofte de kroeg en beleefde Jack van Gelder zijn welbekende orgasme. Ik heb die goal dus nooit live gezien, drank maakt meer kapot dan je lief is. Daarom plof ik dit keer op de bank. Ik wil nooit meer iets missen.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct