THOMAS BRAUN: Mijn dochter kwam naar me toe. “Leuk hè pap, over twee weken begint het WK voetbal!” Ik keek haar verbaasd aan. Ze is 16 en ik heb er nog nooit op maar één uiting van interesse in voetbal kunnen betrappen. Ja, ze slaapt in shirtjes van Ajax en AC Milan, maar die waren van haar broer en dat vindt ze gewoon grappig. “We gaan allemaal kijken in The Spot,” zei ze erachteraan. Ik schudde het hoofd. Tegelijkertijd gingen mijn gedachten terug naar de WK-finale van 1978. Ineens zat mijn schoonzus erbij. Had totaal niks met voetbal, maar nu gilde ze bij elke voorzet het behang van de muur. Eerlijk gezegd vind ik het wel leuk, als de dames zich ineens bij de mannen voegen als het om voetbal kijken gaat. Ze pretenderen ook niet verstand van het spelletje te hebben, krijgen de slappe lach als ze een buitenspelsituatie verkeerd beoordelen, en nemen nog een wijntje.
Heel anders is het bij de Formule 1. Daar bleken ook ineens heel veel vrouwen van in vervoering te raken. En meteen rekenden ze zich tot de kenners. Op X zag ik berichtjes over DRS, over undercuts, over track limits, en dat Max ten onrechte een gridstraf had gekregen. Overigens waren de vrouwen niet alleen, ook heel veel mannen dachten ineens dat ze Jan Lammers waren. En allemaal hadden ze het over ‘Max’. Niet Max Verstappen, nee: Max. Alsof ze bij hem op school gezeten hadden. Hij werd ook zo op handen gedragen. Terwijl asielzoekers ‘al onze huizen inpikken’ en het koningshuis een ‘veel te grote kostenpost is voor de samenleving’, doet niemand er moeilijk over dat Max Verstappen geen cent belasting betaalt over zijn salaris van 80 miljoen per jaar.
Anyway, hij werd vier keer wereldkampioen en dat kwam dus níet doordat hij de snelste auto had, nee Max was gewoon veel beter dan de rest. Dit seizoen is hij veel slechter dan de rest en dat komt dus wél door de auto. Zo gaat dat in het opportunistische Formule 1-domein. We zijn nu 7 races ver, Max staat op een kleurloze zevende plek. En nu hoor en lees ik echt nergens meer iets over Max. Van de week vroeg ik mezelf af of de Formule 1 überhaupt nog wel bestaat. Maar nu zag ik dat er 23 augustus nog op Zandvoort wordt gereden. Voor de laatste keer. Dan zal de Max-mania wel nog verder afnemen. Moeten we dit jammer vinden of ben jij van het kamp: autorijden ís helemaal geen sport?
MICHA JACOBS: Ken je Kimi Räikkönen nog? Een journalist zei ooit tegen hem dat Kimi niet een naam is die je elke dag hoort. Waarop Räikkönen kurkdroog antwoordde: “Ik wel.” Padoem pats ja, en dat nog wel van de meest humorloze coureur in de geschiedenis van de Formule 1. Dat ik dat nog altijd als een van de hoogtepunten van dit millennium beschouw, zegt toch wel genoeg.
Kijk, ik kan nu wel alle Formule 1-fans op hun pikkie trappen, maar dat lúkt mij niet eens, zo klein als die zijn. Ik ken ze hoor, zelfs in mijn schoonfamilie. Er gaat geen familiedag voorbij of de aangetrouwde neven zitten klaar in een Red Bull-polootje, Max-petje en met een iPad op schoot om alle rondetijden en pitstopstrategieën bij te houden. Alsof ze teambaasje aan het spelen zijn: ik vind het schattig en treurig tegelijk.
Mijn weerzin komt vooral voort uit het feit dat het een elitesport is die alleen voor je is weggelegd als je miljoenen euro’s aan sponsorgeld meeneemt of als je uit een racegeslacht komt, maar meestal gaan die twee dingen hand in hand. En altijd maar weer diezelfde rondjes op dezelfde circuits over de hele wereld rijden, vaak ook nog eens in dezelfde volgorde achter elkaar aan, want wat je zegt: alleen de beste auto wint natuurlijk. Het is een droomwereld waar ik niet in geloof. Waar niemand eigenlijk in kan geloven, want op een handvol mensen na weet niemand hoe het voelt om in een Formule 1-auto te zitten.
Daarom vind ik voetbal zo mooi: je krijgt op je vijfde een paar voetbalschoenen, je gaat op zaterdagochtend de wei in en je bewondert de spelers van je favoriete club op tv of in een stadion. Omdat je wéét hoe het voelt om een bal te trappen. Daarom hou ik ook zo van wielrennen: je tikt ergens een fietsje op de kop en je gaat met je bek in de wind de polder in. En dan kijk je naar het peloton op tv en besef je dat die mannen pas écht hard trappen, veel harder dan jij ooit zou kunnen, waardoor het vanzelf helden voor je worden. En dan kun je er ook nog eens met je neus bovenop staan, langs de weg of op een berg. Om alle zweetdruppels, kabels van beenspieren en een collectie van grimassen te zien op een meter afstand. Zet dat eens af tegen die tribune naast een circuit, 700 euro lichter voor een paar autootjes waarin je de coureurs niet eens ziet zitten. Snap jij het? Ik niet. Mocht je aanstaande zondag tussen al die witte broeken in Monaco zitten: zwaai je even vanaf je bootje?
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct