“Naarmate ik ouder word, kom ik steeds meer tot het besef dat het leven er vooral is om te accepteren dat je nu eenmaal de sukkel bent die je bent. Je kijkt in de spiegel en schrikt je dood, elke keer weer. Je bent opgegroeid met het idee dat de mens de hoogste soort is op aarde, dat wij de baas zijn over alles, als je godsdienstig bent opgegroeid zoals ik, dan heb je geleerd dat je naar Gods evenbeeld bent geschapen. Nou, kijk eens even in de spiegel, naar wat je ziet. Dan is er toch wel een grote kloof tussen wat je had moeten zijn en de sukkel die je bent geworden.”
“Met dit boek heb ik alles wat ik wilde zeggen wel gezegd, het is een soort samenvatting van het voorafgaande. Dus als ik morgen doodval of zomaar niet meer kan schrijven, dan missen jullie niks. Ik laat de zaak netjes achter me, zullen we maar zeggen; de wereld kan verder zonder mij.”
“Ik heb na het schrijven van mijn laatste boek niet het gevoel dat ik nu zo snel mogelijk moet doodgaan. Maar of ik nog iets te schrijven heb…”
Lachend: “Lees eerst die andere 52 maar eens.”
'Oneindige groei bestaat niet, je kunt jezelf niet steeds groter en dikker maken en steeds maar met meer zijn zonder gevolgen'
“Doodgaan.”
“Heb ik nog niet genoeg genoten van het leven?” Lacht: “Nou ja, van mij mag het nog wel even doorgaan, hoor. Ik weet dat ik, als ik echt even niks te doen zou hebben, wat me nog nooit is overkomen, wel weer iets verzin. Ik heb sinds een paar jaar een buitenhuisje, voornamelijk om te kijken of alles wat ik over de levende natuur heb geschreven wel waar is. In en rond dat huisje is van alles te doen en daar heb ik nu de tijd voor. Het is losgebarsten, iets waar ik me tegenwoordig op verheug. Dat bewijst wel dat ik echt oud ben, want vroeger had ik dat niet. Ik krijg wél nog altijd een dip van al die mensen die aan het begin van de lente met winterjassen aan op terrassen gaan zitten, maar daar kom ik met een weekje doorgaans wel overheen.”
“Als ik de schepper was geweest had ik ons beter in elkaar gezet, niet met twee poten in elk geval, en met veel meer haar. Er zit nauwelijks haar op mensen en in de winter merk je hoe nadelig dat kan zijn. We zijn zoogdieren en daar horen haren op te zitten, met de poes als ideale voorbeeld. Daar zitten veertig miljoen haren op, zo hebben wij biologen eens nageteld.” Lacht: “Vijf miljoen aan de bovenkant, vijf miljoen aan de onderkant en dertig miljoen op je bankstel.”
“Dat is een treurige geschiedenis. Ik had vier poezen en die gingen allemaal zo’n beetje tegelijk dood, ik kon de spade gewoon in de tuin laten staan. Ze zijn wel alle vier bijna 20 geworden, een zelfs ouder. Maar toen zat ik dus zonder poezen. Echt verschrikkelijk hoor als je altijd poezen hebt gehad. Het legenest-syndroom is daar kinderspel bij. Ik twijfel of ik een nieuwe poes zal nemen. Ik heb dat buitenhuisje en ik vind het zielig om een nieuwe poes steeds van een binnenhuisje naar een buitenhuisje mee te nemen. Bij dat buitenhuisje vliegen ook allemaal vogeltjes… En als ik dan in het autootje van mijn vriendin aankom met een of twee poezen… Ik word een beetje heen en weer geslingerd.”
“Nou, ik heb lang geleden wel eens iets lelijks over honden gezegd, maar dat was vooral om mijn liefde voor poezen te etaleren. Ik zou nooit iets naars tegen een hond zeggen. Zeker niet als hij anderhalve meter hoog is en met heel grote tanden is uitgerust. Maar alle beestjes zijn mij even lief. We zijn met z’n allen op deze aarde geschopt en we moeten het met z’n allen zo prettig mogelijk zien te hebben.”
“Wij mensen zijn erin geslaagd om – beter dan wie ook – samen te werken, dankzij het feit dat we over een taal beschikken en we, wat we bereikt hebben, ook opschrijven. We worden elke eeuw slimmer. Dat is fantastisch voor ons, maar niet voor al die andere diersoorten. Tot nu toe hebben alle diersoorten elkaar altijd in evenwicht gehouden. In de drie miljard jaar dat het leven bestaat, is er nooit een soort geweest die de baas werd over alle andere diersoorten. Want als het goed ging met een diersoort dan ging het ook goed met zijn vijanden. Wij mensen spelen vals. Wij kunnen ons dankzij de taal groter maken dan we zijn. Alleen als je jezelf steeds dikker en groter maakt, blaas je jezelf op tot het ‘pang’ zegt. Oneindige groei bestaat niet. Je kunt niet steeds maar meer invloed uitoefenen, met meer mensen zijn en meer eten nodig hebben zonder gevolgen.”
'Ik denk elke dag, elk uur aan de dood, het is de meest ingrijpende gebeurtenis die mij nog te wachten staat'
Lacht: “Ik mag er niet als een onheilsprofeet uitzien, maar het is wel een hobby van me. We hebben het wel eens over diersoorten die een plaag zijn en diersoorten die een plaag willen worden: die vormen niet alleen een plaag voor anderen, maar vaak ook voor zichzelf. Naarmate de soort toeneemt, nemen ook de tegenkrachten toe, zoals ziektes. Corona is een goed voorbeeld, die had nooit zo kunnen huishouden als wij niet zo dicht op elkaar leefden. Het is net als bij ziektes in de veehouderij. Wat die koeien en geitjes te wachten staat, staat ons ook te wachten.”
“De beste manier om ze te snel af te zijn, is ons aantal beperken: minder koeien, minder geiten, minder mensen. We zitten met veel te veel mensen op een kluitje. We zijn rijker dan ooit, de medische wetenschap is verder dan ooit, desalniettemin zijn we bezig de gezondheidszorg af te breken omdat het onbetaalbaar is geworden.”
“Als we niets doen aan de geboortetoename hebben we nul komma nul kans. We zijn onszelf aan het verstikken, we weten het en we zien het en nóg zijn er mensen die zeggen dat er juist méér kinderen geboren moeten worden, omdat dat economische voordelen biedt. Tja, dat kan zo zijn, maar biologisch is het een onwerkbare situatie. Met die corona hebben we nog mazzel gehad, daar zijn we met wat kleerscheuren nog goed vanaf gekomen. Maar dacht je dat die coronabeestjes stilzitten? Terwijl wij hier aan tafel zitten, zit ergens achter een boekenplank een stelletje van die virussen zich handenwrijvend te verbeteren. De tijd dringt. Elke onheilsprofeet kan je vertellen dat het 5 voor 12 is of zelfs al over 12. Het linke is dat we aan het morrelen zijn aan een wereldwijd systeem dat al honderdduizenden jaren standhoudt en we weten niet goed wat de gevolgen zullen zijn. Vaak veroorzaakt het ene gevolg het andere en die samen weer een gevolg waar we al helemaal nooit aan hadden gedacht.”
“Als het gaat over het menselijk tekort, moet ik altijd meteen denken aan Simon Carmiggelt en Peter van Straaten. De beste schrijver en de beste tekenaar als het gaat om dat onderwerp. Ik kijk op mijn manier naar de mensheid en zie ze stuntelen en ploeteren, zich aan hun eigen waanideeën optrekken… Dan kun je niet anders dan een beetje glimlachend en hoofdschuddend denken: ik kan nou wel tegen jullie zeggen dat het slecht afloopt, maar jullie zijn veel te druk bezig met denken dat het wel zal meevallen. Als jullie je daarmee troosten, doe dan maar.”
“Ons wordt altijd maar voorgehouden dat we optimistisch moeten zijn. Als je toch om je heen kijkt, weet je wel beter. Het probleem is dat wij een sociale diersoort zijn, we zijn tot elkaar veroordeeld. Mensen zijn ook egoïsten en zouden het liefst hun eigen gang gaan, maar als je alleen je eigenbelang nastreeft, stort de maatschappij in. Kijk je alleen naar het maatschappelijk belang, dan ben je zelf de pineut, want dan laat je je de kaas van het brood eten. Tussen die twee moet je een balans zien te vinden en dat is een worsteling. Als we ophouden een sociale diersoort te zijn, is het probleem over.”
“Nou, je had vroeger in al die vrolijke families, en zeker in katholieke families zoals de mijne, veel trouwerijen. Dan was er altijd wel een grappige oom die vrijgezel was. Dat was mijn droom. In mijn jongensogen kon je later óf getrouwd zijn, dan had je kinderen en zat je onder de plak bij je vrouw, óf vrijgezel. Als vrijgezel hoefde je nooit je bord leeg te eten, hield je lekker dezelfde onderbroek aan kocht je een biertje wanneer je daar zin in had. Dat leek mij het ideale bestaan.”
Lacht: “Ja, dat is nou dat menselijk tekort; het leven overkomt je.”
“Wat je wil en wat je doet, zijn vaak twee verschillende dingen. De meeste mensen denken dat ze invloed hebben op hun leven. Je neemt het je elke dag weer voor om er een aangename dag voor jezelf, je medemensen, mededieren en medeplanten van te maken. Maar aan het eind van de dag moet je constateren dat je dat voornemen weer niet hebt waargemaakt. Je gaat het café in met het voornemen om twee borreltjes te drinken, maar na die twee borreltjes denk je daar weer heel anders over. Net alsof er nog iemand in je zit, die wat jij aan het doen bent saboteert. Dat heet het beest in de mens.”
'Ik ben gelukkig net in de tijd groot geworden dat het in de mode was om zo polygaam te zijn als je piemel maar kon verdragen'
“Jawel, het bevalt me prima, anders was ik wel weggelopen. De aardigheid is – nog niet zo lang geleden – móést je monogaam zijn, anders zwaaide er wat. Maar ik ben gelukkig net in de tijd groot geworde, dat we dat afschaften en het juist in de mode was om zo polygaam te zijn als je piemel maar verdroeg.”
“Nou, in mijn jonge jaren ben ik ook wel eens een wilde dame tegengekomen.”
Zucht: “Hoe doen andere beesten dat, kijk naar ganzen, die hebben een band voor het leven. Misschien is wat mensen bindt niet zo veel anders dan dat wat ganzen bindt, alleen verzinnen wij er mooiere woorden bij en schrijven we er langere gedichten over.”
“We zijn begonnen als kroegvriendjes en hebben het altijd heel erg naar ons zin gehad in het café. Totdat zij van het ene moment op het andere ophield met drinken. En toen bleek dat het zonder die kroeg ook leuk was, nou of dat niet mooi is.”
“Ja, anders was ik wel verhuisd. In Weesp zijn we zelfs gezegend met een buitenproportioneel groot aantal aardige cafés.”
“In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is een café de meest burgerlijke, brave instelling die er bestaat. Want in een café komen steeds dezelfde mensen elkaar tegen en die corrigeren elkaar voortdurend. Ze gaan wel eventueel stomlazarus het café uit, maar de volgende dag komen ze broodjenuchter weer terug. Het was een manier van leven. Vroeger gebeurde alles in cafés. Als je wilde telefoneren deed je dat daar, als je een loodgieter nodig had, ging je naar het café. Als je een echtgenote nodig had ook. Ik heb me in het café altijd, niet in de eerste plaats door de drank, gevoeld als in een kampong, min of meer verwant met elkaar, een extended family.”
“Ik ervoer het als een godsgeschenk dat ik op de grens van twee tijdperken leefde. Stel je voor: ik kom uit een katholiek burgergezin, ik zat bij de zusters en de paters op school en uiteindelijk bij de jezuïeten. En die jezuïeten wisten voor ons op die jongensschool als een goed geheim te bewaren dat er ook meisjes bestonden. Tot en met mijn middelbare school ben ik nooit een meisje tegengekomen en toen kwam ik in mijn studententijd bij een progressieve studentenvereniging, en progressief was in die tijd progressief, hoor. Ik ben toen binnen twee jaar omgeschakeld van een heel ouderwets burgermansbestaan naar de nieuwe tijd met langharigheid en muziek… Ik blijf mij gelukkig prijzen dat ik die kentering van twee maatschappijen heb meegemaakt. Het was ontzettend spannend.”
“Zeker. Het geloof was een houvast in mijn jeugd. Je moet je voorstellen: je wordt geboren, je ligt daar in die wieg en dan buigen zich ooms en tantes over je met hun getetet en getatata… Je schrikt je dood vanaf dat je uit je moeders buik komt. De wereld is voor een pasgeborene een chaos van licht en geluid. Naarmate je groter wordt, begin je langzamerhand enig systeem te zien. Dat je vader en moeder een ander soort mensen zijn dan de rest, bijvoorbeeld. Dat je broertjes en zusjes hebt, dat je als je honger hebt heel hard moet gaan schreeuwen en dat je dan na een tijdje geen honger meer hebt. Je gaat verbanden zien. Wat je wil, is structuur, houvast. Een van de manieren waarop dat lukt, is dat je bij je geboorte van je ouders een kant en klaar wereldbeeld meekrijgt. In mijn geval het katholieke geloof en dat beviel mij prima, want in dat systeem heeft alles een plaats en een functie. Het was een levenshouding, elke dag naar de kerk en dankzij de biecht bevrijd van schuldgevoel. Dan sta je toch anders in het leven dan wanneer je zwaar gereformeerd bent.”
“Dat weet ik nog exact. Ik zat op de middelbare school bij de jezuïeten en ik liep met pater Mooijman, die Engels gaf, over het schoolplein. Ineens vroeg ik hem op de man af: Gelooft u dat nou allemaal echt, pater Mooijman? Nou, hij werd me een potje kwaad. Toen dacht ik: nou heb ik hem, hij gelooft het zelf niet. Ik twijfelde al eerder, maar toen was het voor mij ook meteen over.”
“Nee, het staat voor mij nog steeds als een paal boven water dat ik geen kinderen had willen hebben, maar kleinkinderen had ik wél leuk gevonden. Vanuit de gedachte dat kinderen en oude mensen dichter bij elkaar staan. Lichamelijk kom je als oud mannetje wat nader bij de grond en je leert bepaalde, eenvoudige genoegens waar je in het midden van je leven geen tijd of zin in had, meer waarderen, the circle of life. Al is het leven natuurlijk niet echt een cirkel, er is een ingang en een uitgang, maar als je door de uitgang bent, kun je de ingang niet meer vinden.”
“Natuurlijk! Ik denk elke dag, elk uur aan de dood. Het is de meest ingrijpende gebeurtenis die mij nog te wachten staat. Het enige wat nog ontbreekt op mijn cv.”
Zonder aarzelen: “Een mevrouw die loenst, een mooi menselijk tekort, net als het spleetje tussen de tanden. Sommige Nederlandse zangers zouden nergens zijn geweest zonder dat spleetje. Zingen kan iedereen, maar én zingen én dat spleetje…”
Lachend: “Weet je wat? Zoek jij er maar eentje uit.”
Het menselijk tekort van Midas Dekkers is een uitgave van Atlas Contact.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct