Een klungelend politieapparaat, bizar bijgeloof, klassenjustitie… Historicus en journalist Paul van der Steen (56) stuitte hierop toen hij in de geschiedenis dook van een dubbele moord die Nederland kort na de afschaffing van de doodstraf diep schokte. In zijn boek Goedvolk en de kop van Jut legt hij meer bloot dan de ware toedracht van een gruwelijk misdrijf, waarvan de sporen nog altijd zichtbaar zijn. Ofwel: hoe een brave soldaat de echte kop van Jut werd.
We hebben in elk geval een beroemde kermisattractie overgehouden aan de geruchtmakende dubbele moord uit 1872: de kop van Jut, de trekpleister, waarbij met grote kracht moet worden geslagen op een plaat waarna een blokje via een veer omhoog schiet en een bel moet raken.
In 1876 speelde een kermisuitbater met deze naam listig in op de bloedige moorden die Hendrik Jut pleegde in Den Haag. Juts echtgenote en medeplichtige, Christina Goedvolk, verdween in de vergetelheid, maar Paul van der Steen haalt haar er met zijn boek Goedvolk en de kop van Jut weer even uit.
Het boek leest als een spannende true crime en vertelt een meeslepende, waargebeurde geschiedenis in het Den Haag van tweede helft van de negentiende eeuw.
Levenloze lichamen
Het zijn de donkere dagen voor Kerstmis in een tijd van toch al summier verlichte stille straten, een politieapparaat dat nog aan alle kanten rammelt en een maatschappij waarin kinderarbeid nog niet is verboden. Wel afgeschaft, twee jaar voor de moorden, is de doodstraf. Dat decor maakt het misdrijf dat op vrijdagavond 13 december in het huis aan de Bocht van Guinea nr. 25 plaatsheeft nog eens extra sinister.
In de woning worden een dag later de levenloze lichamen van de twee bewoonsters aangetroffen: de eigenares van het huis, de weduwe Maximiliana van der Kouwen-ten Cate (62) en haar inwonende dienstmeisje Leentje Beeloo (27). De politie wordt gewaarschuwd nadat de zaterdag erna eerst de slager, de melkboer en de bakker vergeefs langskomen.
Nicolaas van Heusden, een goede kennis van de weduwe, staat ’s middags tot twee keer toe voor een gesloten deur en treft die avond bij een derde poging Hendrik Jut, de aanstaande van Leentje Beeloo, die zich zorgen maakt over zijn verloofde. Terecht, want Leentje en haar werkgeefster zijn gruwelijk om het leven gebracht. Motief? Geld. Er blijkt voor een vermogen aan sieraden, contanten en waardepapieren te zijn gestolen. Van de daders geen spoor.
De forensische geneeskunde staat anno 1872 in de kinderschoenen, er zijn in Nederland in die dagen geen specialisten. Artsen doen het werk erbij. Zo ook Hendrik Becht, gemeenteheelmeester van Den Haag. Hij schrijft in zijn verslag dat Paul van der Steen opneemt in zijn boek onder meer: “Dáár lagen ze, de beide slachtoffers der vervloekte hebzucht, afzichtelijk met bloed bemorst, nog in de houding, die de doodsstrijd ze had gegeven, te midden van de sprekende en toch stomme getuigen, die op den grond verstrooid, of aan den muur hangende, dien strijd hadden aanschouwd, die een grijze weduwe haar rustigen ouden dag, eene jonge, schoone vrouw hare… God weet hoe lachende toekomst had vernietigd!”
‘Er werden mediums ingeschakeld om de moordzaak te helpen oplossen, spiritistische seances waarbij geesten van slachtoffers postuum zelf hun moordenaar aanwijzen’
Becht en zijn collega Johannes Dijkgraaf, vaste arts van de weduwe, constateren bij haar onder andere een diepe snee van linksachter in de hals richting strottenhoofd. Verder zijn in de huid gelegen vaten, waaronder de strotader, geraakt. Bij een andere, kleinere snijwond aan de linkervoorzijde van haar hals zijn slechts aan de oppervlakte liggende spieren doorgesneden. Op beide handen en de bijbehorende vingers een hele reeks steek- en snijletsels. De enige andere bijzonderheid: een openstaande anus waar ontlasting is uitgelopen.
Bij Leentje Beeloo loopt een drie centimeter lange en anderhalve centimeter brede wond van haar linkerschouder naar haar linkerborst, maar er is slechts spierweefsel aangetast. Aan de binnen- en buitenzijde van de linkerborst zitten wondjes van circa één centimeter groot. Ook hier zijn geen vitale delen geraakt. Blijft over een lange, tweeënhalve centimeter brede snee vanaf de achterkant aan de rechterzijde van de hals naar voren.
Becht en Dijkgraaf kunnen er hun wijsvinger in laten verdwijnen. Ze vermoeden een longverwonding, maar treffen die niet aan. De conclusie is dat beide vrouwen met hetzelfde wapen zijn gestoken, maar dat de steken op zich niet fataal waren. De weduwe en haar dienstbode zijn langzaam doodgebloed.
De daders zijn ontkomen, maar er zijn geen sporen van braak, dus de moordenaars – want het is al snel duidelijk dat dit niet door één persoon kan zijn gedaan – moeten bekenden zijn geweest van de slachtoffers. De gruwelijke misdaad houdt de residentiestad in de greep, mensen zijn bang, durven ’s avonds niet over straat en vrezen dat ‘de monsters’ die deze daad hebben gepleegd, meer slachtoffers zullen maken, zo is in het boek van Van der Steen te lezen.
Vrouwen en kindermoord
Tussen 1600 en 1800 zijn vrouwen prominent aanwezig in de criminaliteit. In de laatste vijfentwintig jaar van de zeventiende eeuw nemen ze ongeveer de helft van de geregistreerde misdrijven voor hun rekening. In de loop van de negentiende eeuw verandert het beeld flink. Ze verdwijnt volgens het ideaalbeeld van de vrouw in de late negentiende eeuw in huis.
Waar ze voorheen – mede door zeevaart en handel – een vooraanstaande rol speelde in het openbare leven, trekt zij zich steeds meer terug achter de voordeur. Daar zorgt ze voor het huishouden en het gezin. De verleidingen van het kwaad liggen er minder op de loer.
(Uit: Goedvolk en de kop van Jut)
Koelbloedig
Ruim drieënhalf jaar, met tussenpozen, stak Paul van der Steen in de research voor zijn boek, hij begon er al aan in coronatijd. “Het was toen honderdvijftig jaar geleden dat de laatste doodstraf in Nederland werd voltrokken, in Maastricht,” vertelt hij. “Het ging om de dader van een roofmoord, maar daar zat op zich niet zo’n bijster interessant verhaal achter. De zaak Goedvolk en Jut was de eerste geruchtmakende moordzaak na die afschaffing en daar zat veel aan vast.
Ik had de tweede helft van de negentiende eeuw altijd gezien als een tikje stoffig, maar in werkelijkheid was er zoveel aan de hand, er waren zo veel veranderingen gaande. De steden groeiden in sneltreinvaart, maar er was ook de opkomst van de fotografie, de tijd waarin de pers een enorme vlucht nam en de politie professionaliseerde. Dan was er nog de sterk veranderende rol van de vrouw… Deze klassieke misdaadgeschiedenis bleek op allerlei manieren te linken aan de sociale, politieke, culturele en justitiële historie uit de tweede helft van de negentiende eeuw.”
Die lijnen kon de auteur met elkaar verweven in een boek en dat trok de auteur over de streep om aan de klus te beginnen. Hij vond veel informatie over de moorden uit 1872 en meer dan eens maakte zijn hart een sprongetje als er weer iets bijzonders tevoorschijn kwam. “Zo dook er een tekening op van de plaats delict en een briefwisseling tussen twee elkaar beconcurrerende politiecommissarissen die aan de zaak werkten.”
Van der Steen heeft zich verbaasd over de hulpmiddelen die in die jaren zonder een spoor van ironie nogal eens werden ingezet. “Er werden hier bijvoorbeeld mediums ingeschakeld om de moordzaak te helpen oplossen. Waanzinnige spiritistische seances waarbij geesten van slachtoffers zelf postuum hun moordenaar aanwezen.”
Door de opkomst van de fotografie ontstaat de optografie, een leer die zegt dat de lens in het menselijk oog mogelijk beeld zou kunnen bevatten van het laatste wat iemand heeft waargenomen. Een beeld van een dader bijvoorbeeld, een soort foto genomen door de lens in het oog van het slachtoffer. Van der Steen: “Dat idee was in die periode wel al aan het kantelen, hoor, maar het zijn cadeautjes tijdens zo’n onderzoek.”
De geschiedenis van Jut en Goedvolk is in veel opzichten tragisch. Jut is pas 21 jaar oud als hij de moorden pleegt. Hij is een onwettig kind, iets waar hij zwaar onder gebukt gaat. Van der Steen: “Hij zat in het leger en bij inspecties kwam geregeld zijn zakboekje tevoorschijn met daarin de vermelding: ‘vader onbekend’. Dat stigma raakte hij niet kwijt en hij werd er stevig mee gepest.”
Omdat Jut zich steeds meer realiseert dat hij door zijn afkomst nooit een hoge rang zal krijgen, wil hij weg uit het leger. Hij heeft in 1868 echter voor tien jaar getekend, dus forceert hij een ongeluk met zijn paard waarbij hij zodanig gewond raakt, dat hij wordt afgekeurd. Als zijn geliefde, de vijf jaar oudere Christina Goedvolk, zwanger van hem raakt, wil Jut koste wat het kost voorkomen dat zijn nazaat dezelfde schande ondergaat als hijzelf. Goedvolk brengt zelf al voor ze Jut leert kennen twee kinderen ter wereld zonder dat er een vader in beeld is. Beide kinderen sterven voor het eerste levensjaar.
Jut ziet zijn bestaan in armoede als uitzichtloos en richt zijn blik op de rijke weduwe Van der Kouwen. Zij is van zeer bescheiden komaf en dankt haar rijkdom aan een erfenis van haar zuster wier overleden man kapitaal vergaart in Nederlands-Indië. Ze pronkt graag en veel met haar bezittingen. Als ze bezoek krijgt, stalt ze trots haar kostbare juwelen uit en vertelt over de vele obligaties die ze bezit.
Ook Christina Goedvolk, die enkele jaren als dienstbode voor haar werkt, kent haar rijkdom. Twee maanden voor de dramatische moordpartij ruilt de weduwe op verzoek van haar goede vrienden, de familie Van Vleuten, haar dienstbode Christina Goedvolk voor Leentje Beeloo. De laatste vindt het werk bij de Van Vleutens namelijk te zwaar. De ruil zal haar dood betekenen.
Van der Steen schrijft over de gerechtelijke dwalingen in de zaak, onder andere de arrestatie van een aantal naar later zal blijken onschuldige mannen en tekent op hoe een deel van de gemeenschap hamert op herinvoering van de doodstraf. Kranten wakkeren de angst flink aan met de meest sensationele verhalen. Het huis aan de Bocht van Guinea wordt mede daardoor nagenoeg onverkoopbaar, zelfs de straatnaam wordt op zeker moment veranderd. Later zou het pand overigens worden afgebroken.
De daders weten 2,5 jaar uit handen van justitie te blijven en staan pas in 1876 voor de rechter. In de jaren daarvoor reizen ze onder meer naar Zuid-Afrika en Amerika, waar Jut in New York een deel van de buit weet te verkopen. Waarom ze terugkomen naar Nederland is niet duidelijk. Van der Steen: “Misschien wel gewoon uit heimwee. Ze hadden anders makkelijk kunnen wegblijven. Het is zelfs opvallend hoe goed Hendrik Jut zijn weg heeft weten te vinden in het buitenland.”
Jack the Ripper
Heel Den Haag loopt uit voor de rechtszittingen waarbij Jut zijn vrouw op alle fronten probeert vrij te pleiten, al heeft ze in eerste instantie haar aandeel bekend. Zij is het die op de bewuste avond met een smoes bij haar voormalige werkgeefster weet binnen te komen en haar op de bovenetage van het huis aan de praat houdt terwijl haar verloofde beneden in de keuken Leentje Beeloo neersteekt.
Op straat worden portretten van de daders aangeboden die gretig aftrek vinden. Van der Steen ziet parallellen met onze tijd. ‘Denk alleen maar aan Willem Holleeder’
De weduwe wordt vervolgens naar beneden gelokt onder het voorwendsel dat er iets met de dienstbode aan de hand is. Eenmaal in de keuken wordt ook zij door Jut met zijn dolk bewerkt. Goedvolk helpt hem met het uitwissen van (bloed)sporen en het verzamelen van de kostbaarheden, terwijl de vrouwen overlijden. In de rechtszaal neemt Jut alle schuld op zich, hij wil zijn vrouw beschermen en hun inmiddels 3-jarige dochtertje Angelica niet van haar moeder laten beroven.
Intussen ontstaat een keur aan dubieuze memorabilia, zoals tabakspijpen met de beeltenis van de weduwe Van der Kouwen en Leentje Beeloo erop, op straat en in cafés klinken liedjes over de moordpartij en er worden portretten van de daders aangeboden die gretig aftrek vinden.
Van der Steen ziet parallellen met onze tijd. “Absoluut. Denk alleen maar aan Willem Holleeder, wat over hem al aan boeken, films en dramaseries zijn verschenen. Het is toch een vorm van escapisme, angstbezwering en sensatiezucht. In criminele milieus is er zelfs sprake van heldenvering, zoals bij Scarface. Er is een passage in mijn boek waarin twee mannen in een krantenadvertentie zoeken naar vrouwen om mee naar de kermis te gaan. Ze noemen zich Jut en Jack the Ripper, dat zegt toch wel iets.”
Het is opvallend hoe de rechterlijke macht in die dagen volkomen voorbijgaat aan de achtergronden of psychische gesteldheid van daders. De inmiddels 24-jarige Hendrik Jut wordt zonder meer veroordeeld tot levenslang. In deze tijd zou hij, na uitgebreid psychiatrisch onderzoek, vrijwel zeker verminderd toerekeningsvatbaar zijn verklaard.
In de rechtszaal ontsteekt hij meer dan eens in razernij en staat het schuim hem – in elk geval volgens de kranten – op de lippen. Van der Steen: “Nu zou zo iemand zeker langs het Pieter Baan Centrum gaan, het is overduidelijk dat er met deze man van alles aan de hand was. Christina Goedvolk komt er dan weer behoorlijk goed vanaf met maar twaalf jaar cel, die zou anno nu een veel zwaardere straf hebben gekregen voor medeplichtigheid aan twee moorden.”
Aangrijpend vindt Van der Steen de geschiedenis van Angelica Jut. Zij is immers het kind van de rekening en wordt met de veroordeling van haar ouders een onbestorven wees. Van der Steen: “Ik vond het ontroerend dat haar moeder er bij een dominee die ze kent op heeft aangedrongen dat haar dochter wordt opgevangen in Neerbosch, een weesdorp nabij Nijmegen. Ze probeert duidelijk het beste te doen voor het enige kind dat haar is overgebleven.
In Neerbosch, waar Angelica inderdaad wordt opgenomen, krijgt het meisje een andere achternaam om haar te behoeden voor pesterij en een – voor die tijd – goede scholing. Ze vertrekt op zeker moment zelfs naar Amerika, maar keert uiteindelijk terug naar Nederland. Daar heeft ze waarschijnlijk ook wel contact met haar moeder die in 1891 op vrije voeten komt en zich vestigt in Amsterdam.”
Hendrik Jut is dan allang dood en begraven, althans deels. Het lichaam van de man die in 1878 – pas 26 jaar oud – in de gevangenis bezwijkt aan de ‘galopperende’ tering, wordt zoals dat toen gebruikelijk was bij misdadigers, ter beschikking gesteld aan de wetenschap. Zijn hoofd wordt op sterk water tentoongesteld in het anatomisch kabinet van de Universiteit van Groningen. Tussen foetussen, skeletten en Siamese tweelingen is hij daar een curiositeit, tot in de jaren zestig van de vorige eeuw de pot barst en de kop van Jut verloren gaat.
Saillant detail is dat de eerste vrouwelijke arts van Nederland, Aletta Jacobs, tijdens de lijkschouwing van Jut in diens lichaam mag snijden. Jacobs is de eerste vrouw die tot de universiteit wordt toegelaten voor de studie medicijnen en die ook succesvol afrondt. Met dank aan Thorbecke, de befaamde grondwethervormer, die haar toelating, vijf dagen voor zijn dood, nog even doordrukt.
Van der Steen: “Fascinerend aan de hele geschiedenis is dat er destijds zo weinig oog was voor de slachtoffers, over hen is nauwelijks iets geschreven in die dagen. Maar ook de daders kregen geen kans iets over zichzelf te vertellen. Het deed er gewoon niet zo veel toe. Het is een zegen dat tegenwoordig zowel slachtoffers en nabestaanden aan het woord komen in een rechtszaak. De rechters die over Jut en Goedvolk oordelen, zijn veelal mannen met dubbele achternamen, het standsverschil is nog enorm. Advocaten krijgen de verdachten pas toegewezen vlak voor de zaak onder de rechter kwam, tot die tijd waren ze geheel op zichzelf aangewezen.”
Paul van der Steen: ‘Er was weinig oog voor de slachtoffers, maar ook de daders kregen geen kans iets over zichzelf te vertellen. Het deed er gewoon niet zo veel toe’
Naast Thorbecke en Aletta Jacobs duiken meer historische namen op in Goedvolk en de kop van Jut. Zoals gevangenis-ingenieur Johan Frederik Metzelaar en schrijver Multatuli, die in 1880, onterecht, zijn eigen zoon Edu aanwijst als het brein achter de ontvoering en moord op de dertienjarige Marius Boogaart. Een andere gruwelijke zaak die Den Haag doet sidderen.
Dood en verderf in de gevangenis
De sterftecijfers in de gevangenissen in het eerste deel van de negentiende eeuw zijn opmerkelijk hoog. In de jaren 1847 en 1848, als de gevangenissen volstromen door aan honger en armoe gerelateerde criminaliteit, stijgt het sterftecijfer naar recordhoogte. Het wordt door de overheid niet als alarmerend gezien dat er tegenover 1,57 procent van de Nederlanders die buiten de gevangenis sterft 18,12 en 13,34 procent achter de tralies overlijdt.
Oorzaak is volgens de experts hun eigen ‘liederlijke, ongebonden leefwijze’, zo schrijft Paul van der Steen in Goedvolk en de kop van Jut. Tijdens het verblijf van Hendrik Jut in gevangenis Blokhuispoort in Leeuwarden sterven daar naar verhouding tweeënhalf tot drieënhalf keer zoveel mensen als onder in vrijheid levende Nederlanders. Volgens de Geneeskundige Courant in 1852 kan dat slechts tot één conclusie leiden: “De opsluiting vordert dus vele menschenlevens.”
Wreedheden
Het meest interessant aan de hele geschiedenis is de geschiedenis zelf, compleet met de onmacht en onwetendheid uit die dagen die niet zelden leidt tot wreedheden. Zo zien Hendrik Jut en zijn vrouw elkaar na hun veroordeling nooit terug. Ook mogen ze elkaar niet schrijven. Goedvolk mag zelfs niet naar de begrafenissen van haar ouders en hoort van de dood van haar man per brief. Ook van hem mag ze geen afscheid nemen.
Dan zijn er de wrange omstandigheden in de gevangenissen waar de sterfte opvallend hoog is en mensen nog vaak leven in gekmakende afzondering van zijn medemens. Van der Steen: “Er gingen toen al stemmen op dat mensen in de gevangenis niet bepaald tot inkeer kwamen en dat het instituut eerder een Hogeschool voor de misdaad was. In die zin is er niet veel veranderd. Er was wel minder mededogen met gedetineerden dan nu. Mensen werden in de cel kasplantjes die al hun sociale vermogens kwijt waren als ze na jaren weer buiten kwamen.”
Het is lang geleden, maar niettemin onbestorven verleden, meent Van der Steen: “Ik heb mijn overgrootmoeder nog gekend en die werd geboren in 1873, een jaar na de moorden. Ze is bijna 102 geworden en ik heb nog bij haar op schoot gezeten, zij op haar beurt heeft op schoot gezeten bij mensen uit de tijd van Napoleon. Zo ver weg is het dus niet eens. Ik hoop dat het boek terechtkomt bij mensen die geïnteresseerd zijn in true crime, maar die het niet erg vinden dat dit verhaal wat verder terug in de tijd gaat en ook worden gegrepen door het tijdsbeeld.”
Goedvolk en de kop van Jut van Paul van der Steen is een titel van Alfabet Uitgevers en is nu verkrijgbaar.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct