Jochem Uytdehaage.
Jochem Uytdehaage.
Sport

Olympisch kampioen en schaatsanalist Jochem Uytdehaage: 'Ik heb de verkeerde keuzes gemaakt'

Als geen ander weet Jochem Uytdehaage (49) hoe je moet pieken tijdens de Olympische Winterspelen (6-22 februari), logisch dat Eurosport hem strikte om het schaatsten te analyseren. Terugkijkend vindt de man die goud (tweemaal) en zilver won op de Spelen van 2002 dat hij anders met zijn sport had moeten omgaan. “Het atleet zijn heeft mij als mens beschadigd.”

Jarry Popelier
Olympische Spelen

Jochem Uytdehaage (Utrecht, 1976) won op de Olympische Spelen van Salt Lake City (2002) goud op de 5 en 10 kilometer, op de 1500 meter schaatste hij zich naar een zilveren medaille. Vervolgens werd hij ook nog wereldkampioen op de 5 kilometer en won hij het EK allround. In 2007 beëindigde hij op zijn 30ste een carrière waarin hij alle grote prijzen heeft gewonnen.

Uytdehaage begon vervolgens zijn eigen bedrijf: De Uytdhaaging. Hij geeft voornamelijk lezingen en workshops. “Ik wil heel graag voor mekaar krijgen dat mensen hun leven zo inrichten dat ze beter kunnen presteren, gelukkiger en gezonder worden. Dat doe ik met inzicht van de spirituele, mentale, emotionele en fysieke batterijen. Met kleine aanpassingen kun je grote veranderingen krijgen, daar probeer ik handvatten voor te geven.”

Hij publiceerde in 2022 een boek over zijn levenslessen: Opgeladen!, Boost je geluk, gezondheid en prestaties. Voor Eurosport en HBO Max reist hij naar Milaan om de schaatswedstrijden tijdens de Winterspelen (6-22 februari) te voorzien van voor- en nabeschouwingen. 

Brengt deze periode, in aanloop naar de Spelen, veel herinneringen boven?

“Wel wat meer, ja. Ook doordat ik voor mijn rol bij Eurosport wordt gedwongen om op een andere manier naar het schaatsen te kijken. Dan zie ik zo’n Stijn van de Bunt, die doet min of meer hetzelfde als wat ik deed: zich uit het niets kwalificeren. Al reed ik al internationale wedstrijden, hij niet eens, tijdens de Spelen mag ie opeens starten in een nationaal pak! Laatst hield ik een lezing over welke doelen je jezelf kunt stellen, toen heb ik mijn verhaal verteld over de 1500 meter in Salt Lake City, waar ik zilver won. Toen ik me voorbereidde, had ik die medaille vast en dacht ik: deze is eigenlijk ook heel mooi.”

Je zult het vaker hebben over die twee gouden medailles.

“Juist, maar ook het verhaal achter die zilveren medaille is mooi. Probeer anno 2026 maar eens een medaille te winnen op de 1500 meter en 5 en 10 kilometer. Dat gaat niemand lukken, alleen al doordat niemand zich voor die drie afstanden heeft gekwalificeerd. Ik ben me gaan realiseren dat het bijzonder is wat ik heb gedaan, dat brengt deze periode wel meer naar boven. Ik kijk nu ook naar het mentale spelletje. Hoe de atleten toeleven naar de Spelen. Voor mij hoefde het in 2002 nog niet te gebeuren, het plan was eigenlijk om toe te slaan in 2006. Die mate van onbevangenheid maakte mij heel relaxed en bracht het beste in mij naar boven. Een paar jaar later vond ik het moeilijker, toen werd er verwacht dat ik me wel even kwalificeerde. Zo keek ik ook naar het Olympisch Kwalificatietoernooi (OKT). Als je erin slaagt om dáár te presteren, ben je dus in staat je beste prestatie te leveren onder druk. Dat vind ik mooi om naar te kijken en dan kijk ik naar de parallellen met mezelf, ook in dat opzicht denk ik nu vaker aan mijn eigen carrière.”

De man van het goud blikt terug op de keiharde lessen uit zijn tijd als topsporter.
Over dat OKT gesproken: in het buitenland kijken ze met verbazing naar hoe wij de startbewijzen verdelen, met zo’n toernooi, pas zes weken vóór de Spelen. Ben jij daar voorstander van?

“Ja! In Amerika doen ze het niet veel anders. Je kunt je alleen afvragen of je iemand die in het voorseizoen heel dominant is een soort van beschermde status moet geven. Niemand had bezwaar gemaakt als je Femke Kok en Jenning de Boo van tevoren had aangewezen, maar daarna wordt het al moeilijker. Want wat is precies voldoende om iemand aan te wijzen? En moet je dat helemaal uitschrijven? 

Je hoort van de rijders dat het echt een ding is om het OKT te overleven en de Spelen is ook precies zo’n toernooi waar het móét gebeuren. Die keiharde selectie is misschien wel de beste voorbereiding die je kunt hebben. Je móét met de druk kunnen omgaan en het laten zien. 

Wat je trouwens niet mag vergeten: sport is ook entertainment. Het feit dat we zo’n keiharde selectie hebben, heeft ervoor gezorgd dat Thialf vijf dagen vol zat. Ik geloof dat er 1,6 miljoen mensen, van wie een grote groep jeugd, op televisie hebben gekeken. Dat vind ik misschien nog wel belangrijker dan dat er één rijder meer of minder naar de Spelen gaat.”

Schaatsen wordt weleens incontinentietelevisie genoemd, dan begrijp ik dat je blij bent met die jeugdige kijkers. 

“Exact! Je moet ook de nuance zien: degene die de meeste kritiek had op de regels was Kjeld Nuis. Daar had Joep Wennemars weer commentaar op, die vond dat Kjeld zich ook een paar jaar eerder had kunnen laten horen. Daarin had Joep wel een punt, zei Kjeld later. Verder is eigenlijk iedereen content met de regels en wij hebben het er nu ook weer over. Die discussie heeft ook een commerciële waarde voor de sport. Dus ja, misschien moet je een paar echt dominante rijders een beschermde status geven, maar het was vijf dagen spektakel! Iedereen keek ernaar uit en spannender ga je het niet krijgen. Dat is toch top? Misschien moeten we het gewoon zo blijven doen, met een OKT, dan hou je lekker die discussie.”

‘Die keiharde selectie van het OKT is misschien wel de beste voorbereiding die je kunt hebben. Je móét met de druk kunnen omgaan’

Je hebt drie Olympische medailles gewonnen, terwijl je op maar één Olympische Spelen actief bent geweest. Dat is best opmerkelijk, toch?

“Dat is mijn grote teleurstelling, dat ik me niet kwalificeerde voor Turijn 2006. Daar wilde ik goud winnen, maar dat lukte dus al in Salt Lake City, in 2002. Ik dacht: nu ga ik die vier jaar tussen die twee Spelen heersen, maar toen puntje bij paaltje kwam, was ik op de kwalificatie gewoon niet goed genoeg. Te vermoeid, te verkouden, had last van mijn keel. Ik had gewoon te zwaar getraind, dus ik heb me nooit kunnen kwalificeren voor een tweede Spelen.”

We hadden het net over zo’n beschermde status. Had jij die verdiend?

“Nee. Ik heb nog weleens een ballonnetje opgelaten dat je Olympisch kampioenen via het IOC moet aanwijzen, dat zij hun titel kunnen verdedigen, maar het paste ook goed in mijn straatje om dat te zeggen. Maar nee, ik was in 2006 gewoon niet de beste, dus dan is het ook terecht dat je niet gaat, hoe frustrerend dat ook is. Ja, ik had het in me, maar ik kon het niet meer laten zien. 

Daarin zit misschien wel mijn grootste… Ik weet niet of het frustratie of verdriet is. Ik noem het maar spijt. Al heb ik dingen altijd heel bewust gedaan, dus ik kan hooguit achteraf zeggen dat ik de verkeerde keuzes heb gemaakt. Ik zou het nu anders doen, dat is een ding dat zeker is. Ik kan de tijd niet terugdraaien en moet ook allang blij zijn dat het me is gelukt om drie heel mooie medailles te winnen en daarna ook nog een paar grote toernooien. 

Op het moment dat het moest kon ik het laten zien, dat neem je wel mee. Ik heb wat dat betreft geen faalangst of zo, maar ik wilde soms zó graag dat ik mezelf over de kop joeg. Die balans vinden, van trainen en ontspannen, blijft een lastig spel. Kijk, je kunt optimaal voorbereid zijn, maar als jij onderweg naar de ijsbaan een bericht krijgt waarvan je helemaal van de leg bent, kan het zo zijn dat je niet goed rijdt.”

‘Als je goed bent voorbereid, dan kan er vlak voor de wedstrijd iemand in jouw tas schijten en dan zeg je: boeien, eerst die wedstrijd’

In een andere tak van sport maakt Raymond van Barneveld volgens mij altijd zoiets mee. 

“Darten is zó’n mentaal spelletje, je moet je helemaal kunnen afsluiten. Aan de andere kant: als jij goed in vorm bent en helemaal voorbereid, dan kan er vlak voor de wedstrijd iemand in jouw tas schijten en dan zeg je: boeien, eerst die wedstrijd. Al het andere komt later wel. 

Je kunnen focussen is onderdeel van je totale vorm, als je niet in balans bent is dat veel moeilijker. Dat geldt voor alles, maar dat is nog niet zo makkelijk. Het heeft met je spirituele elementen te maken, met je zingeving, mentale capaciteiten, met je emotionele en fysieke energie. Alles moet kloppen en dat vind ik een heel interessant spel, daarom heb ik zo’n bewondering voor Ireen Wüst die vijf Spelen achtereen de beste race rijdt. Dat is extreem bijzonder, ik denk dat zij heel goed in staat is om te schakelen tussen de verschillende statussen waarin ze verkeert. Dán wil ik hard rijden, dán ben ik een partner en dán zet ik weer een knop om. Daarmee spelen is een enorme uitdaging. Het mentale aspect is zó belangrijk bij wedstrijden als de Spelen, die maken we ook zo groot met z’n allen.”

Jochem Uytdehaage aan de rand van het ijs in Thialf
Ja, in hoeverre is het levensveranderend om Olympische medailles te winnen?

“Heel erg. Het feit dat wij hier nu zitten, is mede het gevolg van dat ik Olympisch kampioen ben. Ik heb er nog dagelijks de effecten van, dat ik mag praten vanuit mijn expertise, dat ik iets heb gepresteerd op het moment met de meeste druk. Op straat word ik nog regelmatig aangesproken, wekelijks word ik er wel aan herinnerd. Dat bedenk je allemaal niet als je als kind gaat schaatsen. 

Laatst fietste ik een strandrace, reed ik achter een onwijs goede gast. Was een eliterijder die in het verkeerde startvak was gaan staan, hij pikte bij me aan en nam over. Hij heeft heel hard lopen stampen in de wind, dat was voordelig voor mij, kon ik lekker in zijn wiel zitten. Na afloop bedankte ik hem en wilde op de foto, dat vind ik leuk. Ik zei: Meestal is het andersom. Keek ie mij raar aan, dus ik vertelde dat ik in het verleden heb geschaatst en wat medailles heb gewonnen, dat ik dus wel wat fanatieker ben. Dan heb ik dus wel die trots en duid ik waar dat fanatisme vandaan komt.”

Heb je er last van gehad dat jouw carrière betrekkelijk kort heeft geduurd?

“Ja, ik hoopte langer op een hoog niveau te kunnen rijden. Ik ben ervan overtuigd dat als ik dingen beter had begrepen en ook beter was begeleid, ik er nog een paar jaar aan had kunnen vastplakken. Als ik in 2005 had geweten wat ik nu weet, had ik in 2010 nog Olympische medailles kunnen winnen. In 2014 misschien ook nog wel, maar helaas ben ik gestopt in 2007. Op mijn dertigste, terwijl je nu schaatsers tot bijna hun veertigste ziet doorgaan. 

Ik ben nu bijna twintig jaar gestopt en ben er inmiddels wel achter hoe leuk het is om te sporten. Dag in dag uit bezig zijn met beter worden, met je lichaam, dat is zó leuk. Ik zou het zo weer doen. Sterker nog: als iemand mij nu een substantieel deel van mijn jaarinkomen geeft, ga ik wéér iedere dag sporten. Met een lach, weer of geen weer: maakt me niks uit. 

Alleen, en daar ben ik wel verdrietig om, hoe kan het mogelijk zijn dat ik op een gegeven moment niet meer inzag wat voor geweldig leven ik had als schaatser? Dat ik de laatste jaren niet meer kon genieten van wat ik daarvoor het allerleukste vond, hard schaatsen. Daar is toen iets fout gegaan. 

Ik kijk nu ook anders naar mijn collega’s van toen. Ik snapte niet dat Rintje Ritsma ging kitesurfen. Vond ik onzin en onprofessioneel. Nu snap ik het. Die gast was al zo lang zo goed, dan moet je af en toe even iets heel anders doen dan schaatsen. Ik geniet er nu zelfs van als ik filmpjes zie van atleten die zich ontspannen, dat Mathieu van der Poel lekker wandelt met zijn hondjes of op de golfbaan staat. Dat had ik zelf graag beter gedaan, dan had ik langer kunnen schaatsen.”

‘Kjeld Nuis heeft een balans gevonden: doordeweeks schaatser, in het weekend vader. Ik was alleen schaatser’

Je was mentaal opgebrand?

“Ja. Ik deed heel veel voor mijn sport, maar ik liet er nog veel meer voor. Zoveel dat het atleet zijn mij als mens beschadigde. Ik kon ook niet die leuke partner zijn voor mijn vriendin, omdat ik continu bezig was met dat schaatsen. Ik zie soms filmpjes van Kjeld Nuis met zijn zoon. Die heeft weleens verteld dat als hij niet hoeft te trainen in het weekend, hij er van vrijdagmiddag tot maandagochtend helemaal is voor zijn kind. Hij heeft een bepaalde balans gevonden: doordeweeks schaatser, in het weekend vader. Ik was alleen schaatser en dan is het op een gegeven moment niet meer leuk. Dat heb ik gewoon niet goed gedaan. Als ik zondagmiddag met mijn benen omhoog lag, ging ik niet mee als mijn vriendin ging shoppen, omdat ik van mezelf moest rusten. Ik dacht dat het niet goed voor me was, terwijl ik diep vanbinnen wel zin had om even weg te gaan. Dan ga tegen je zingeving in, doe je dingen die eigenlijk niet bij je passen. Ik had heel veel moeite met die balans, dus er kwam een punt dat ik schaatsen niet meer leuk vond. Gek, hè?!”

Jochem Uytdehaage heeft de balans in zijn leven inmiddels gevonden.
Het klinkt anders vrij logisch.

“Nu denk ik: hoe dan? Het is het allermooiste wat er is! Ik werd ook moe van al dat reizen, iedere keer weer je spullen in- en uitpakken. Ik nam ook werkelijk alles mee, want het zou me maar gebeuren dat mijn schaatsen kapotgingen. Dus nam ik een reservepaar mee… Ik heb het nog steeds wel een beetje, het zit deels in mijn karakter. Als ik met mijn maat een gravelrace fiets, eten we van tevoren iets. Dan zeg ik: we pakken de auto. Dan zegt hij: nee joh, we wandelen even. Dan sputter ik tegen dat de auto beter is voor onze benen. Hij: Zeik niet zo, man. Lopen! Heeft ie helemaal gelijk in, maar aan dat soort kleine dingen merk ik dat ik snel geneigd ben om in de topsportmodus te denken. Maar langzaam maar zeker, negentien jaar nadat ik geen atleet meer ben, kan ik dingen wat meer loslaten. Op sommige momenten zet ik alles opzij, als ik écht ergens voor wil gaan. Maar niet meer continu.”

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct