Woensdag 1 januari 2014. Een zachte en allesbehalve winterse dag. Berkel en Rodenrijs ontwaakt na een relatief rustige jaarwisseling. In de straten liggen natte resten rood papier, zwartgeblakerde vuurpotten en een verdwaalde fles als lanceerinrichting. Buurtbewoners vegen de boel op en kijken ’s middags onder het genot van een laatste oliebol naar het traditionele skispringen of nieuwjaarsconcert.
Die avond rond 19.15 uur komt Rob Zweekhorst met zijn gezin thuis na een familiebezoek. Hij woont hier met zijn vrouw Natasja en hun twee kinderen in een rijtjeshuis. Het gezin is net binnen wanneer Zweekhorst besluit de twee honden nog even uit te laten. Dat doet hij vaker. Ook op feestdagen. Het is een vast rondje, een routine die hij zonder nadenken uitvoert. Rob trekt zijn jas aan, pakt de riemen en loopt de deur uit. Zweekhorst kent de buurt, elke straat, elk bochtje en speelpleintje. Het is begin van de avond. Niets wijst erop dat er deze nieuwjaarsdag iets dramatisch in de lucht hangt.
Rond zeven uur klinken in de Dokkumerstraat meerdere harde knallen. Er wordt nauwelijks acht op geslagen. Logisch, er zijn vast nog wat jongens die vuurwerk over hebben van de vorige avond. Toch valt het geluid op, het klinkt anders, harder en feller dan gewone rotjes. Even later komt de harde werkelijkheid aan het licht. Er is geschoten. Rob Zweekhorst blijkt te zijn getroffen en ligt roerloos op het wegdek.
Als geschrokken buurtbewoners naar buiten komen is de schutter al in geen velden of wegen meer te zien. Even later keren de honden zonder baasje terug naar de woning. Dat is voor Zweekhorsts vrouw een duidelijk teken dat er iets helemaal mis moet zijn. Ze vertrouwt het niet en loopt de vaste uitlaatroute van Rob. Dan, net om de hoek van de woning, verstijft ze van schrik. Want daar ligt haar man languit op straat, roerloos, zonder teken van leven. In eerste instantie denkt ze nog even aan iets medisch, een hartaanval of beroerte. Maar al snel ziet ze dat er meer aan de hand is. De verwondingen laten daarover geen enkele twijfel.
De politie arriveert snel, de straat wordt afgezet. Agenten hebben aan een korte blik genoeg en stellen vast dat Rob Zweekhorst is overleden. Hoewel het intussen is gaan regenen wordt er om onduidelijke redenen geen PD-tent over het lichaam geplaatst. Zweekhorst ligt onder een bouwzeil, zijn schoenen steken eronderuit. Omstanders staan op korte afstand en kijken verbijsterd toe. Pas later in de nacht wordt het lichaam overgebracht naar het mortuarium.
Echtgenote Natasja vertrouwt het niet en loopt de uitlaatroute van Rob. Dan verstijft ze van schrik. Daar ligt haar man op straat, roerloos, zonder teken van leven
Diezelfde avond wordt een Team Grootschalige Opsporing (TGO) geformeerd. Rechercheurs proberen vast te stellen wie Zweekhorst was en waarom hij doelwit zou kunnen zijn geweest van iets wat alle kenmerken heeft van een doelbewuste afrekening. Er wordt ingezoomd op zijn werkkring, zijn sociale omgeving en zijn privéleven. Al snel wordt duidelijk wat hij níet was: geen bekende van politie of justitie, geen man met schulden, geen lopende conflicten.
Zweekhorst werkte jarenlang in de geestelijke gezondheidszorg en bekleedde een directiefunctie. Collega’s beschrijven hem als rustig en betrouwbaar. Hij leidde een overzichtelijk leven. Juist dat maakt zijn dood moeilijk te plaatsen. Al snel rijst dan ook de vraag of Zweekhorst wel het beoogde doelwit was. Is hij niet voor een ander aangezien? Was het een kwestie van: op het verkeerde moment op de verkeerde plaats? Voor het TGO reden genoeg om te kijken naar mensen in de buurt die op hem lijken. Naar looproutes, routines en toevalligheden.
Die nieuwe focus werpt vruchten af. De naam Dennis van den Berg komt in beeld. De man woont enkele straten verderop, is net als Zweekhorst kalend en laat geregeld zijn hond uit in dezelfde wijk. Anders dan Zweekhorst is Van den Berg bekend in het drugsmilieu. In de maanden voorafgaand aan 1 januari 2014 onderschept de douane een partij cocaïne van ongeveer driehonderd kilo. Binnen dat milieu gaat het om miljoenen euro’s. Zo’n onderschepping blijft nooit zonder gevolgen. Zeker niet tegen de achtergrond van de Schiedamse cocaïnemaffia, met beruchte kopstukken als de ‘Rotterdamse Holleeder’ Henk E. en diens (inmiddels doodgeschoten) zoon Marco.
In het dossier verschijnt het begrip ‘vergismoord’. Niet als vaststelling, maar als werkhypothese. De mogelijkheid dat de schutter Zweekhorst heeft aangezien voor Van den Berg wordt serieus onderzocht. Van den Berg hoort kort na de moord dat de kogels vermoedelijk voor hem bedoeld waren. De politie spreekt met hem. Rond zijn woning worden camera’s geplaatst. In gesprekken met de recherche vertelt Van den Berg over zijn contacten in de jaren daarvoor. Over conflicten, geld, drugshandel. Hij noemt namen. Eén daarvan is Mustafa B., een man uit het criminele milieu die volgens Van den Berg als tussenpersoon fungeerde.