Van Lama’s tot Slippers
Ruben van der Meer, geboren op 2 juni 1970 in Amsterdam, brak door bij het grote publiek met Live Opgenomen en als lid van De Lama’s. Hij speelde in films als Plan C. Hij is vaste gast in diverse RTL-panelshows en LOL: Last One Laughing, en maakt nu zijn regiedebuut met de actiekomedie Bad Slippers, vanaf 19 februari in de bioscoop.
“Inmiddels mogen we het wel zo omschrijven, ja. Het is een bevalling geweest, maar het kind is er bijna.”
“Zeker, zeker! Absoluut. Kijk, als zo’n partij toehapt, heb je in ieder geval een deel van je investering terug. Dat geeft lucht. Maar de ambitie reikt verder dan alleen streaming: we gaan eerst de bioscoop in. Februari is de maand. En ja, ook dat doen we helemaal zelf.”
‘Ik moet met mijn vader meepraten, anders wordt hij boos en wil hij een taxi bellen naar een huis dat niet meer bestaat’
“Nou ja, bijna alles. Het voelt een beetje als teruggaan naar hoe ik ooit begon met het programma Live Opgenomen. Ken je dat nog? Dat maakten we voor Veronica. Samen met Michael Winter, de regisseur van toen, en Horace Cohen. We werkten met een kleine cast en crew, een compact groepje. Dat maakte ons enorm mobiel; we konden veel draaien op een dag zonder dat je drie uur aan het wachten was op het uitlichten van een set. Aangezien ik nu besloten had om de financiering ook zelf te doen, moest ik met een waterdicht plan komen. Ik dacht: die guerrilla-stijl van vroeger, zo moet ik het gewoon weer doen. Back to basics.”
“Nee, nee! Dat is Timothy Radstaat. Ik ken hem van De TV Kantine. Hij is eigenlijk make-up artist. Tijdens de coronaperiode zat hij, net als iedereen in onze sector, werkloos thuis. Uit verveling ging hij dat typetje uitproberen. Hij stuurde me af en toe een filmpje waarin hij als dat karakter naar de snackbar ging. Hij komt uit Nijmegen, dus hij zette dat hele platte Nijmeegse accent op. Ik ging stuk. Ik zei: Wat een lach is dit, wat een geinig karakter. Als ik ooit weer een sketchprogramma heb, moeten we daar iets mee doen. Toen ik rondliep met het idee om alles zelf te gaan doen, wist ik: hij moet erin.”
“Omdat ik tegen muren opliep. Het lukte gewoon niet via de officiële wegen. Kijk, het Filmfonds heeft maar een beperkte pot met geld te verdelen en, om de een of andere reden, zit ik er nooit bij.”
“Geen idee. Als het aan mij lag, zou ik het anders verdelen. Maar je dient een aanvraag in, je moet een half jaar wachten, je moet voldoen aan duizend eisen. Je hebt een producent nodig die jouw plan wil indienen, want je mag het niet zelf doen. Het is een ingewikkeld, stroperig systeem waar bizar veel tijd en energie in gaat zitten.”
“Dat speelt allemaal mee. Ze hebben hun regels en ze gaan inhoudelijk meepraten en zich ermee bemoeien. Dat is hun goed recht, all is well, maar als je aan het eind van het liedje geen geld krijgt en het project gaat niet door, dan is het gewoon zonde van je tijd. Op een gegeven moment dacht ik: ik moet een manier vinden om dit buiten het systeem om te doen. Mede door mijn oudste dochter.”
“Zij wil ook die richting op, ze wil regisseren. Ik zei tegen haar: De eerste twintig jaar van je leven zag je mij vechten. Ik wilde regisseren, films maken, en elke keer lukte het niet. Alleen maar gedoe en gezeik. En toen dacht jij: dat wil ik ook? Maar zij heeft natuurlijk ook gezien hoe mooi het vak is. Die drang naar storytelling, dat zit er gewoon in. Je wil verhalen vertellen, linksom of rechtsom.”
“Er moet toch altijd ergens een sketchprogramma zijn? Het zou doodzonde zijn als dat uitsterft. Je hebt Sluipschutters nog, die doen het goed. Laatst zag ik een paar jonge gasten die gewoon sketches maken voor internet. Niet alles was goed, maar de energie was er wel. Voor die nieuwe generatie is het lastig, maar ze hebben wel YouTube. Je kunt alles in eigen hand nemen, alleen is het publiek enorm versnipperd.”
‘Je laat mensen voor een habbekrats werken, dan moet je ze geen laffe quiche uit de magnetron voorschotelen’
“Ik heb een begroting gemaakt voor de harde kosten: reiskosten, verblijf, catering, materialen, een auto die in de prak gereden moet worden... Maar tegen de cast en crew heb ik gezegd: Ik kan je dagfee niet betalen, maar ik kan het omzetten in aandelen.”
“Simpel. Het totale budget is een X-bedrag. Als jij tien dagen meewerkt, rekenen we uit welk percentage dat is van het totaal. Dat is jouw aandeel in de film. Verdien ik minder terug, dan verdien jij ook minder. Wordt het een hit en verdien ik het dubbele, dan pakt iedereen het dubbele. Dat lijkt me de meest eerlijke oplossing.”
“Nou ja, als je meedeelt in de winst is dat voor makers ook eens fijn. Vaak zie je dat een producent binnenloopt en de acteurs met een fooi naar huis gaan. Nu zitten we allemaal in hetzelfde schuitje. Je weet niet hoe een koe een haas vangt.”
“Die betalen upfront. Een vast bedrag. Voor mij maakt het niet uit hoeveel er gestreamd wordt, ik was allang blij met de deal. Ik heb een beetje rondgevraagd bij collega’s en wat ze boden, lijkt de standaard te zijn.”
“Het is geweldig. Wij willen allemaal dingen maken die gezien worden. Dat is wat ik net zei over die YouTube-generatie: het platform is er, maar vind het publiek maar eens. Zo’n grote streamer helpt daar enorm bij. Maar eerst die bioscoopzalen vol krijgen. Dat is voor iedereen beter. Als het daar een hit wordt, heeft de streamer er daarna ook meer aan.”
“Daar zitten we nu middenin. Ook de distributie doe ik zelf.”
‘We hadden ooit gezoend op een schoolfeestje. Ik was geen enge stalker, ik hield gewoon een vinger aan de pols’
“Uit nood geboren! Een distributeur in Nederland kost klauwen met geld. Die zijn gewend te werken met producenten die hun budgetten aan de voorkant al hebben dichtgetimmerd met fondsen. Ik heb mijn eigen spaargeld erin zitten. Ik moet de kosten drukken om iedereen te kunnen betalen. Als ik een distributeur ertussenuit snij, scheelt dat heel veel bezoekers die ik niet hoef te halen om quitte te spelen.”
“Tussen de 80 en 100.000 bezoekers heb je wel nodig. En krijg dat maar eens voor elkaar. Ik hoop op een Gouden Film, dat is tegenwoordig 100.000 bezoekers. Dan ben ik heel, heel blij.”
“Ja, wat is het ergste dat kan gebeuren? Ik zit nog steeds in mijn mancave, ik heb een dak boven mijn hoofd. Het zijn luxeproblemen. Ik maak me er soms druk om, maar je moet relativeren.”
“Nou, laten we eerlijk zijn: het is vooral mijn reclamegeld. Als je al mijn commerciële deals van de afgelopen twee jaar bij elkaar optelt, staat dat gelijk aan tien jaar acteren.”
“Toen ik net begon, deed ik Sjors de Manager in een reclame. Daar kreeg ik heus wel oké voor betaald, maar de echte winst zat hem in de schnabbels erna. Hoe vaak ik niet als Sjors de Manager op bedrijfsfeesten heb gestaan... Ik moest dan boos worden op de directeur, weglopen, terugkomen en excuses aanbieden. De zaal vond het prachtig.”
“Ik heb zelfs een diploma-uitreiking van dakdekkers gedaan. Ik dacht: wat? Dakdekkers? Maar ik kon het geld goed gebruiken en het is ook gewoon geestig. Op ADE sloot ik af in mijn trainingspak als Gabbertje. Van 30 jaar geleden. Wat Bob Fosko eigenlijk zong. Ik heb nooit een noot gezongen, maar de zaal ging plat. Een filmpje opnemen op een verdwaalde middag en jaren later sta je daar. Dat is toch goud?”
“Ik weet niet of Frank Lammers dat ooit gezegd heeft. Ik weet wel dat het vroeger not done was en dat er nu volop geschnabbeld wordt, door alle soorten acteurs en BN’ers. Ik heb daar nooit een probleem mee gehad. Als jij een gezin moet onderhouden en je kunt met één klus wat financiële adempauze kopen om daarnaast dingen te doen waar je hart ligt, dan zie ik het probleem niet. Dankzij die reclames kan ik hier in mijn rommelhok nadenken over wat ik écht wil maken.”
“Met TAFKAL (The Artists Formerly Known As Lama’s) treden we al twintig jaar op. Dat verveelt nooit. Een zaal vol mensen, we hebben niets voorbereid, en na twee uur heeft iedereen pijn in zijn kaken van het lachen. Dat is magisch. Maar film... dat is mijn eerste liefde.”
“Klopt. Mijn vader was filmoperateur in een bioscoop. Als kind zat ik bij hem in dat hok. Ik keek films soms wel dertig, veertig keer. Terminator 2, The Big Lebowski, Wonder Boys... Vooral Terminator 2. James Cameron zat toen al zo dicht op de werkelijkheid met AI. En de eenvoud van zijn pitch: “Een robot uit de toekomst komt naar het nu om de moeder van de rebellenleider te beschermen.” Bam. Eén zin. Dat is genialiteit. Film is het tegenovergestelde van improvisatiecomedy. Bij comedy is het poef, weg. Film is schaven, schrijven, monteren, en dan is het er voor altijd.”
“Dat weet ik nog niet. Mijn vader is dementerend. Het is tragisch, maar er zit ook humor in. Ik neem hem bijvoorbeeld mee naar het voetbal. Vroeger was hij van DWS, nu woont hij in Weesp. De hele wedstrijd vraagt hij, als we daar op de tribune zitten: Welke kleur is DWS ook alweer? Ik zeg: Pa, we zijn bij FC Weesp. Twee minuten later: DWS is blauw, toch?”
“In het begin corrigeerde ik hem. Nu zeg ik: Ja pa, DWS is blauw. En dan wordt er gescoord en juicht hij. 1-0 hè? Terwijl het al 5-1 is. Je moet meepraten, anders wordt hij boos en wil hij een taxi bellen naar een huis dat niet meer bestaat. Er zit iets moois in dat proces, ondanks de ellende. De rollen draaien om. Zij zorgden voor ons, nu zorgen wij voor hen.”
“Dat zou kunnen. Maar ik wil daar niet te lang bij stilstaan. Wat kun je doen? Niks. Ja, kruiswoordpuzzels en Sudoku’s. De Killer Sudoku speelt trouwens een grote rol in Bad Slippers, haha! En ik probeer gezond te leven. Met deze buik acteer ik niet, zeg ik altijd, dit is een method belly. Maar ik let wel op. Ik padel, ik zwem één keer in de week... Ze zeggen dat het voor 90% voeding is, dus daar let ik op. Minder vlees, minder zuivel.”
“Mijn vrouw kookt heel goed en gezond. Zij deed ook de catering voor de film. Helemaal vegetarisch. Dat scheelde enorm in de kosten, want vlees is duur. De crew, van die bonkige cameramannen, stond in het begin wel even te kijken: Geen gehaktbal? Maar na een paar dagen kwamen ze ’s ochtends al vragen wat de lunch was. Bij Ruben op de set wordt goed gegeten! Dat is belangrijk. Je laat mensen voor een habbekrats werken, dan moet je ze geen laffe quiche uit de magnetron voorschotelen.”
“Zeker. Donnie (de rapper, red.) komt hier vaak. Die woont in Diemen. Dan zitten we hier op de bank, beamer aan, beetje muziek maken. Donnie is een spraakwaterval, niet normaal. Dan leg ik hem die film uit en aan het eind van de avond hebben we een titelsong. Ruben Nicolai en Tijl Beckand komen hier ook wel, maar die zijn meer van de sigaren.”
“Nee, dat is voorbij. Sigarenverbod. Mijn vrouw trekt die lucht niet, dat blijft zo hangen in de gordijnen. Dus de heren komen hier niet meer voor hun sigaartje.”
“Geduld. Ik heb haar op de middelbare school al ontmoet, maar ik moest acht jaar wachten tot ze vrij was. Ze had een vriendje. Elke keer als ik haar tegenkwam in het uitgaansleven vroeg ik: Ben je nog steeds met die gozer?”
“Nee joh! Ze vond me wel leuk, dat wist ik. We hadden ooit gezoend op een schoolfeestje. Ik was geen enge stalker, ik hield gewoon een vinger aan de pols. Toen het eindelijk uit was, zei ik: Hier is mijn nummer, nu gaan we afspreken.”
“Misschien wel. Ik ben vijf keer afgewezen voor de toneelschool. Amsterdam, Utrecht, Maastricht, Arnhem... overal zeiden ze nee. Ik heb nog ergens zo’n afwijzingsbriefje liggen. Het pijnlijkste was dat ze het jaar erop precies hetzelfde briefje stuurden, alleen de datum was met de hand veranderd. Ze namen niet eens de moeite om een nieuwe brief te typen. Dat hakte erin.”
“Nee, zo sta ik er niet in. Misschien is het juist goed geweest. Als ik op de toneelschool had gezeten, was ik misschien een heel serieuze, zwaarmoedige theateracteur geworden. Nu heb ik mijn eigen pad gekozen via een particuliere opleiding en heel veel vallen en opstaan. Ik heb zelfspot geleerd. En dat is misschien wel het belangrijkste in dit vak, en in het leven. Of je nu afgewezen wordt, je vader dement wordt, of je film door Amazon wordt gekocht: je moet erom kunnen lachen.”
“Op naar de Gouden Film. En als dat niet lukt: ik heb nog genoeg Duyvis-geld voor een paar zakken borrelnootjes.”
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct