Als deze week de Olympische Winterspelen van start gaan in Milaan en Cortina d’Ampezzo, kijkt het gros van Nederland natuurlijk naar het expo-centrum in Milaan dat voor de gelegenheid is omgetoverd tot schaatsbaan. Medaillekansen op andere plekken en in andere winterse disciplines zijn er zoals altijd nauwelijks. Het zal dus schaatsen voor en schaatsen na zijn, met zóveel Nederlandse schaatsers dat we de een nauwelijks van de ander kunnen onderscheiden (behalve Jutta Leerdam uiteraard).
In 1990, precies tussen de Winterspelen in Calgary (1988) en Albertville (1992), volgden we drie broekies die wél een beetje karakter in hun donder hadden: Bart Veldkamp (toen 22), Ben van den Burg (toen 21) en Thomas Bos (ook 21 destijds). Wat zo bijzonder aan dit trio was: ze kwamen niet uit Friesland, zoals de meeste schaatsers in die tijd, maar ze kwamen alle drie uit Den Haag, niet bepaald een stad waar je aan denkt als het over schaatsen gaat.
Of de residentie ook het ware rijk van de winterkoningen zou worden, vroegen we ons toen al af? Dat antwoord kregen we twee jaar later, op die Winterspelen in Albertville, toen Veldkamp één van de twee Nederlandse gouden schaatsmedailles won (maar er deden dan ook maar negentien Nederlanders mee aan die Spelen).
‘Vrouwenschaatsen? Da’s dus echt niks, en dan druk ik mij onwijs voorzichtig uit!’
Het ‘Uithof-trio’ werden ze genoemd, uiteraard naar de Haagse Uithof waar ‘hun’ schaatsbaan lag, al maakte Van den Burg er een sport van om te zeggen dat hij geen Hagenees was, maar geboren was in Schipluiden en opgroeide in Den Hoorn, allebei in Zuid-Holland, dat wel. “Ach jongen,” wuifden Veldkamp en Bos die suggestie resoluut weg. “Je lult nog platter dan Koot en Bie!”
Ze konden met zijn drieën behoorlijk druk zijn, vond ook oud-schaatswereldkampioen Eric Flaim die de Haagse trojka omschreef als very nice, maar ook als very, very, véry loud. “Dat klopt wel,” zei Bos. “In de kleedkamer en op het ijs kunnen we behoorlijk druk zijn. Continu dollen, elkaar van het ijs duwen, dat soort dingen.” Volgens Veldkamp kwam dat júíst omdat ze uit Den Haag kwamen: “In de stad moet je weerbaarder zijn. Daarom zijn wij gebekter dan gasten uit een dorp.”
Dat ‘voetbalsfeertje’ dat er bij hen hing, werd overigens niet door iedereen in het toen nog zeer conservatieve schaatsen gewaardeerd. Daar haalde vooral Veldkamp zijn schouders over op: “Daar herken ik bij ons niets van. Voetballers zijn ongelooflijk verwende zeikerdjes. Bij voetbal ontbreekt, denk ik, vaak de zelfdiscipline, de wil om de beste te zijn. Dat zie je niet alleen aan de voetbalfans, maar ook op het veld.”
Uitgesproken waren ze ook over het vrouwenschaatsen. Van den Burg: “Da’s dus echt niks, en dan druk ik me nog onwijs voorzichtig uit. Maar voor Yvonne van Gennip kom ik wel m’n bed uit.” Zelf lag hij goed bij de vrouwen, zei hij, wat je je tegenwoordig nauwelijks kunt voorstellen als je hem aan de bar ziet bij Vandaag Inside. Volgens hem kreeg hij genoeg post van vrouwelijke aanbidders: “Eentje schreef: ik lig voor je klaar!”
Echte schaatsschoffies, waar zijn ze in godsnaam gebleven?
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct