Tijdens de vorige Elfstedentocht moesten we voor de uitslag op Teletekst kijken, rekenden we onze bakkies snert af met rijksdaalders en was onze huidige schaatskoningin Jutta Leerdam nog niet geboren. Kortom: het is alweer een poosje terug. Specifieker: als ik dit optik is het 29 jaar, vier dagen, elf uur en 38 minuten geleden. Op zaterdag 4 januari 1997 won Henk Angenent en toen werd het stil. De planeet schijnt almaar op te warmen, dus de kansen op een nieuwe editie lijken minimaal.
Doodzonde, bedacht ik mij laatst, al kauwend op een kleffe frikandel op de verjaardag van mijn buurman. Hoe het volgende idee exact is ontstaan kan ik niet meer terughalen, dat daar een redelijke hoeveelheid alcoholische middelen aan vooraf ging wel: de Elfstedentocht, maar dan op een fatbike. En als we dan toch ‘fat’ bezig zijn, pakken we in elk stadje een frikandel speciaal mee, en vooruit, dan dopen we dit spektakel ook maar meteen tot de ‘Frikandelfstedentocht.’
De eerste reactie van de hoofdredacteur: “Jezus, wat slecht.” Zijn tweede zin: “Zo slecht dat het briljant is! Maar verzin je dit nou echt zelf of bestaat dit concept al?” Een korte zoekactie geeft uitsluitsel: dit plan is volstrekt origineel, ongekend stompzinnig en hoogstwaarschijnlijk onhaalbaar. “Ga maar maken,” aldus de baas. “Mooi,” antwoord ik. “Dan is het nu alleen nog wachten op de juiste omstandigheden: een periode van vijftien dagen waarop het frituurvet minimaal op 180 graden heeft gestaan.”
De week daarop zit ik in de kroeg met drie vrienden. Of beter, lotgenoten. Want zo’n brute tocht in je eentje doen is ook zo wat. Bovendien, dit zijn alle drie dertigers met fulltime banen, kleine kinderen, een ingedut seksleven en een langzaam afstervende levenslust. Soms moet je gewoon weer even de onbezonnen puber uithangen met je maten, 250 kilometer ploeteren op een fatbike en frikandellen vreten totdat je moet kotsen in een Friese fietstas. De hamvraag van deze bijeenkomst: hoe gaan we deze nieuwe oer-Hollandse traditie in hemelsnaam realiseren? Lennard, de sportiefste van het stel, sabelt het hele idee direct neer. “Ik heb ‘m al eens gefietst, in één dag, in de kou en in de regen. Ik ga dat nóóit, maar dan ook nóóit meer doen. Ook niet op een fatbike. En al helemaal niet als we ook nog eens elf frikandellen moeten vreten. Ga je nooit redden.” Conclusie: als we dit echt gaan doen, moet het sneller.
Soms moet je gewoon weer de onbezonnen puber uithangen, 250 kilometer ploeteren op een fatbike en frikandellen vreten tot je moet kotsen in een Friese fietstas
Twee uur brainstormen en flink wat potjes bier later valt het besluit: de Frikandelfstedentocht moet per quad. Of per beach buggy. Als het maar hard genoeg rijdt, en – voor het geval er gekotst moet worden – makkelijk langs de weg te parkeren valt. Twee mailtjes later hang ik aan de lijn met ‘quadspecialist’ Wilco de Jong. “Grappig idee, kom maar langs. Maarre, gaan jullie echt elf frikandellen eten? Poh.”
Elf frikandellen op één dag is niet onze grootste zorg. Vier dagen voor de aftrap maken de barre weersvoorspellingen – ijzige neerslag, harde noordoostenwind, gevoelstemperatuur tot -10 graden – allerlei emoties los in onze groepsapp. Onzekerheid. Vertwijfeling. Machteloosheid. Krantenkoppen als ‘In jaren niet zo veel sneeuw gevallen’, ‘Gevaarlijke rijomstandigheden door sneeuwval’ en ‘Frikandelfstedentocht op losse schroeven’ doen een stevig beroep op onze mannelijkheid. Die laatste krantenkop blijkt later een grapje van mijn buurman, die onlangs de mogelijkheden van AI heeft ontdekt. “Het gaat enorm koud worden jongens, de hele dag op zo’n ding,” appt Lennard. “Moeten we dit wel willen?” Daniël is degene die ons uiteindelijk over de streep trekt. “Ah joh, lekker afzien. Ik ben toch al verkouden, dus erger zal het niet worden.” It giet oan.
Sneeuwstorm
In de vroege ochtend van zaterdag 3 januari rij ik, gekleed in elf lagen thermo-ondergoed, voor iedere frikandel eentje, weg van huis. Het is steenkoud, overal ligt sneeuw en de straten van Deventer zijn spek- en spekglad. De twijfel slaat alweer toe: gaat dit maniakale plan wel slagen? Vijf minuten later zie ik twee koukleumen op een straathoek staan. Ze kijken niet blij. “Hebben we er een beetje zin in?” vraag ik Ron en Lennard als ik de autodeur opengooi. IJzige stilte. “Rij nou maar,” verzucht Lennard. Even later, halverwege de lange rit naar de quadspecialist van Blokzijl, komen onze vrouwen ter sprake. “Die van mij is helemaal niet zo ongerust,” zegt Lennard koeltjes. Ron: “Nou, die van mij wel.” Ook mijn wederhelft heeft zo haar bedenkingen bij de combinatie van elf frikandellen wegwerken en de godganse dag rondcrossen op een onbekend voertuig op spekgladde landweggetjes in een sneeuwstorm. Zo is de voorpret van dit avontuur nog niet bepaald op topniveau.
Dat sentiment slaat al snel om als we bij ATV Specialist, de winkel van Wilco, aankomen. In zijn gigantische loods kijken we onze ogen uit: tientallen quads en buggy’s, de een nog groter en bruter dan de ander. “Ik heb de grootste collectie van Nederland,” vertelt Wilco met gepaste trots. “En ik ben, voor zover ik weet, de enige die deze dingen verhuurt voor de openbare weg. En ja, dat gaat altijd goed. Of nou, ja bijna altijd. In de zestien jaar dat ik dit doe, heb ik één klant meegemaakt die een quad total loss reed. Aanrijding. Deze rakkers gaan gewoon 110 kilometer per uur. Het blijft natuurlijk opletten geblazen. Zeker op een dag als vandaag. Tegelijkertijd: crossen door de sneeuw is het mooiste wat er is.” Als hij het zegt, zal het wel kloppen. “Maar als ik jullie was, zou ik met de beach buggy gaan. Toch nét iets minder heftig als met een quad, met dit weer.”
Na wat korte instructies zijn we los. Op de besneeuwde landweggetjes van Blokzijl maken wij onze eerste, angstvallige meters. De eerste bestemming: restaurant De Zeven Wouden in Sloten. Reisduur: veertig minuten. Meteen een pittige tocht. Zeker nu er een bijtende sneeuwbui losbarst. Na twee minuten moeten we al tanken. Dat begint goed. Dat uitgekiende dagschema kan meteen de prullenbak in. Als we dan eenmaal, met gevulde tanks en frisse tegenzin, onze eerste N-weg bereiken, en dus ook flink gas mogen geven, giert de adrenaline door ons lijf. Het geronk van de motoren, de kracht van de buggy’s, de vrieskou in onze gezichten: dit is genieten! Als pubers met bewijsdrang crossen we over de Zeedijk, de Kooisloot en de Uiterdijkenweg, sneller en sneller.
Even twijfel ik wat ik met deze dampende frikandel moet doen: opeten, of in tien stukjes snijden en tussen mijn ijskoude tenen stoppen? Het wordt het eerste
Maar dan. Dan transformeert die bijtende sneeuwbui ineens rap in een soort apocalyptische ijsorkaan, eentje die je normaal alleen in (ramp)films ziet. De snijdende sneeuwhagel klettert tegen onze helmviziers. Onze lichaamstemperatuur zakt sneller dan een buggy door dun ijs. Al na tien minuten zien bijna geen hand voor ogen. De storm intensiveert met de minuut. Met mijn rechterhand probeer ik te sturen wat er te sturen valt, terwijl ik mijn linker gebruik als ruitenwisser voor mijn vizier. Daniël, mijn bijrijder, heeft het waarschijnlijk nóg minder naar zijn zin. Die doet helemaal niks. Communiceren lukt ook niet, met die kloteherrie. Jezus, dit is afzien 3.0. De storm steekt weer op. Nóg meer sneeuw, nóg meer hagel, nóg meer ijzige wind. Er schiet van alles door mijn kop. Pure wanhoop, maar ook het total loss-verhaal van Wilco. Wat als we hier stranden? Dan gaan we dood! Ik wil naar huis! De hel van ’26 is los.
38 eindeloze kilometers, twaalf centimeter verse sneeuw en héél veel gevloek later rollen onze buggy’s dan eindelijk het pittoreske Sloten binnen. De zon straalt nog wel. De winterse wervelwind lijkt definitief achter ons, net als de langste rit van de dag. “Jezus, wát een tocht,” bibbert Ron. “Ik ben nou wel toe aan een kleffe frikandel.” Amen. Uitgeput én opgelucht vallen we binnen in het monumentale pand van De Zeven Wouden, waar gastheer Boudewijn Kars de vetvijver al heeft aangeslingerd, speciaal voor ons. “Welkom heren! Zijn we klaar voor de eerste ronde?”
Amper vijf minuten later ligt ie er dan, voor onze bevroren neusjes: het eerste exemplaar van deze nu al legendarische Frikandelfstedentocht. Even twijfel ik wat ik met deze dampende frikandel moet doen: opeten, of in tien stukjes snijden en tussen mijn ijskoude tenen stoppen? Het wordt toch het eerste. En man, wat smaakt ie goed. “Een van onze collega’s vond het erg spijtig dat hij jullie niet kon ontmoeten,” vertelt een van de bardames, terwijl wij onze lijven in stilte opwarmen met deze hemelse gehaktstaven. “Hij is namelijk een frikandelfanaat. Toen hij hoorde van jullie avontuur werd ie helemaal gek.” Een meneer op leeftijd hoort het gesprek aan en tovert zomaar een stempelkaart uit 1986 uit zijn zak. “Helemaal uitgereden. Ja, ja. En kóud dat het was. En dan mogen jullie de tocht dus in die snelle machines doen? Nou, nou. En overal nog een frikandel vreten ook? Tjongejonge. De tijden zijn wel veranderd.” Op de vraag of deze meneer altijd een stempelkaart uit 1986 bij zich draagt, krijgen we een bijzonder vaag antwoord: “Ligt d’r an. Alleen als het koud genoeg is.”
Tien frikandellen
Veel tijd om te blijven babbelen met vriendelijke gastheren, gezellige bardames en mysterieuze stempelkaarthouders is er helaas niet. De grote kerktoren van Sloten, hier aan de overkant, slaat twaalf keer, en er moeten nog tien frikandellen in evenveel steden worden afgevinkt. De rit van Sloten naar Stavoren is, vergeleken met de eerste leg, een walk in the park. Het is droog, de zon schijnt en binnen een half uurtje hangen we alweer met onze nog steeds rode neusjes boven de vleesstaven van Thomas Hoekman, in diens sfeervolle etablissement De Posthoorn. “Ik heb al veel voorbij zien komen,” aldus de jonge eigenaar. “Lui die de Elfstedentocht doen op een tandem, op longboards, of zelfs suppend. Maar dit moet de eerste keer zijn dat ik beach buggy’s langs zie rollen.” Na een korte stilte: “En zeker de eerste keer dat frikandellen een hoofdrol spelen.” Daarover gesproken: het tweede exemplaar smaakt zoals verwacht: lekker, maar al ietsje minder dan de eerste. Vooral door de gedachte dat er nog negen zullen volgen.
De volgende bestemming, het meest charmante pannenkoekenhuis van Friesland, ligt slechts tien kilometer verderop. Prettig. In het Eerste Friese Schaatsmuseum van Hindeloopen, waar pannenkoekenhuis De Friese Doorloper aan vastzit, vallen wij in een warm bad. Grietje Koldewijn-Bootsma, een schat van een mens, begeleidt ons naar een geïmproviseerd tafeltje in haar fameuze Elfstedenzaal. Hier, tussen ‘s werelds grootste collectie schaatsen en sleeën, de oude ijzers van Willem-Alexander én de afgevroren teen van Tinus Udding uit ‘63 krijgen wij vier gigantische pannenkoeken mét mini-frikandelletjes voorgeschoteld. “Wij serveren hier 53 pannenkoeken, maar geen één met frikandel,” lacht Grietje. “Deze hebben wij speciaal voor jullie bereid. Misschien is dit wel het begin van een nieuwe traditie.”
De culinaire variatie, hoe goedbedoeld ook, valt als een baksteen op de maag. Elke pannenkoek lijkt te zijn gemaakt met zes pakken bloem, vijf pakken melk en een dozijn eieren. Plus een paar uien, vijf (!) mini-frikandellen en een flinke kom saus. “Volgens mij hebben ze in de mijne ook de teen van Henk Angenent gestopt,” verzucht Lennard. Ron: “Teentje knoflook.” Lennard: “Doe mij dan maar de teen van Jutta.” Ron: “Ja, die lust ik ook wel.” Daniël heeft heel andere dingen aan zijn hoofd. “Holy shit, Maduro is zojuist ontvoerd door Trump,” leest hij vanaf zijn telefoon. “Over tien jaar zullen ze vragen: waar was jij op de dag dat Venezuela viel?” Hij kijkt nog eens goed om zich heen, schuift vakkundig twee mini-frikandelletjes naar binnen en besluit, met een flinke veeg mayonaise in zijn stoppelbaardje: “Dan hebben wij toch het beste verhaal.”
Na het vergeefse voorstel een afgekloven frikandel een plekje in haar museumvitrines te gunnen, nemen wij afscheid van Grietje en haar kneuterige museum. We knallen snel door, dwars door ijzige polders en over eindeloze dijken. In ijssalon Fresco in Workum vertelt eigenaresse Yvonne Selles ons over een TikTokker die bij haar eens een frikandel met softijs en spikkels bestelde en daar stiekem een filmpje van maakte. In Bolsward eten we op de parkeerplaats van de Jumbo een koud frikandelbroodje – weer eens wat anders – en in café ’t Noorderke in Harlingen krijgen we een luxe variant met uiencompote, peterselie en gedroogde uitjes geserveerd. De constante stroom aan separatorvlees begint enkele leden van de groep serieus parten te spelen. “Ik sla er zo eentje over denk ik,” hijgt Lennard. Zelf ondervind ik hier minder last van, wellicht omdat ik al twee keer heel tactisch mijn laatste hapje wegmoffelde. Daniël leest zojuist uit de krant voor dat Maduro onderweg is naar New York. Ron laat een stevige scheet. Op naar Franeker.
Gemiste gehaktstaaf
De ritjes in de buggy zijn een genot, iedere keer weer. Zelfs op de snelweg, waar de helse kou onze helmen met 110 kilometer per uur penetreert. Eenmaal in Franker staan we, wegens een miscommunicatie, bibberend voor een dichte deur van cafetaria ’t Park. Spijtig, al lijkt niemand op dit punt nog te rouwen om een gemiste gehaktstaaf. Ook Dokkum wordt geslachtofferd, nadat we hebben uitgerekend dat die halte simpelweg te ver om is, als we vanavond nog in onze eigen bedjes willen belanden. Daarbij komt dat we nu al zes uur in de vrieskou rondcrossen, de avond begint te vallen, onze lichaamstemperatuur sneller zakt dan de koopkracht in Venezuela én de volgende hagelbui zich ook alweer aandient. Snel naar Leeuwarden dus. Daar strijken we neer in My Snax, een troosteloze cafetaria in een troosteloos deel van de Friese hoofdstad. Maar er wordt ook weer gelachen: de mannen mogen hier een eenmalige wildcard inzetten voor een alternatieve frituursnack. De kroketten en kaassoufflés laten zich smaken als een verademing. Het besef dat het einde van deze culinaire martelgang nu ook in zicht is, smaakt nog veel beter.
Ons een-na-laatste adres, restaurant ’t Vaticaan in Sneek, heeft de bedenkelijke reputatie de duurste frikandel van Nederland te serveren. Van 68,50 euro. Sjoerd Schot, de bedenker daarvan, kan niet wachten om ons daar alles over te vertellen. De excentrieke restauranthouder, het type gooi er een muntje in en hij blijft praten, neemt een slok van zijn getapte Trappist en brandt los: “Je hoort ze tegenwoordig in de horeca allemaal roepen: ik heb de duurste en de grootste. De grootste gehaktbal. De duurste hamburger, met bladgoud eromheen. Kapsalonnetjes van 70 piek. Dubai-chocolade, ook al zo’n onzin. Nou, weet je wat ik dan doe? Precies. Ik ga delletjes slijten voor 69 euro. En die komen gewoon van de Hanos, hoor. Acht euro voor 40 gehaksstaven. Tel uit je winst. Beetje geprakte kaviaar d’r overheen en klaar is Kees. Ik verkoop er drie of vier per maand. Kan ik weer lekker op vakantie naar Spanje. Dat ding heette trouwens eerst de Frikandel Poetin. Maar sinds dat hele gebeuren met Oekraïne vonden mensen dat ineens niet meer kunnen. Dus nu heet ie gewoon Polletteke.”
Dan verschijnt een kastelein met in zijn hand een cloche, zo’n luxe serveerschaal, én een ingestudeerd praatje: “Heren, ik presenteer u het Polletteke. Wij hebben hier één frikandel, rijkelijk bestrooid met dertig gram Baeri Classic geleverd door House of Caviar uit Den Haag. Afkomstig van de Siberische steur. Ik zeg: laat het u smaken.” Een Michelin-waardige presentatie van een aangeklede berenlul: de Frikandelfstedentocht is compleet.
Tikkeltje vijandig
Het is even voor achten als wij onze laatste bestemming bereiken: Bar ’t Kypmantsje, ús gesellige kroegje van IJlst. En óf het gezellig is. Pakweg honderd Friezen zijn hier bijeengekomen voor een groot dartstoernooi. Dat hier niet zo vaak volk van buiten IJlst op afkomt, is ons al snel duidelijk. Tientallen cafégangers kijken op zodra wij binnenstappen. De sfeer is een tikkeltje vijandig, en dat is lief uitgedrukt. Lennard en Daniël duwen net op tijd hun Go Ahead Eagles-sjaaltjes onder hun jas. Verstandig, want anders was dit verhaal er vermoedelijk nooit gekomen.
Bardame Wendel Hartstra is gelukkig een stuk hartelijker en loodst ons richting de kantine, waar wij ons epische avontuur eindigen zoals we ‘m begonnen. Met vier frikandel speciaal, veel te veel curry, uitjes én mayonaise. De laatste hap krijg ik amper weg. Ik voel me vies, misbruikt én trots. Ik kijk mijn zwoegende vrienden in de ogen en mag eindelijk roepen: “Gefeliciteerd. We hebben het geflikt!” Ik beloon ze niet met een medaille, maar wel met een Je m’appelle Frikandel-muts. Een welverdiende titel. Met volle pensen, een rommelige darmflora, een hoofd vol indrukken, blauwe tenen en herinneringen voor het leven keren we terug naar huis. De eerste Frikandelfstedentocht is geslaagd. De kans dat ie ooit nog wordt verreden, is kleiner dan die van een alternatieve Elfstedentocht op Groenland. Maar ooit, op een dag, zullen mensen vragen: “Waar was jij op de dag dat Venezuela viel?”
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct