Thomas Braun
Let the games begin! Ja, het duurt nog een paar weekjes, maar dan is het weer zover: de Olympische Spelen. Vier jaar lang hebben de Juttaatjes en de Joepies hier keihard voor getraind. De Spelen, de meestervondst van baron Pierre de Coubertin, met zijn uitgesproken filosofie: meedoen is belangrijker dan winnen, citius, altius, fortius, ach, je kent al die spreuken wel. Bord op schoot, puntje van de stoel, zeventien dagen lang.
Ik herinner me de Spelen van 1976 nog als de dag van gisteren. Ik roste op rolschaatsen door de straat en was Piet Kleine. Ik gaf er commentaar bij, als was ik Theo Koomen of Heinze Bakker. “Rondje 33.9, waar gaat dat heen?” Als Piet Kleine, of die rare Hans van Helden, moest starten, gooide ik mijn ‘schaatsen’ in een hoek en dan zaten we voor de buis. Op tafel De Telegraaf die twee pagina’s had ingeruimd voor alle ritten en in de lege vakjes kon je dan tussentijden noteren.
Ik herinner me alles: Van Helden die in de sneeuw een toptijd op de 10 km had neergezet – 15.02 – maar door Piet Kleine werd overtroffen met een olympisch record: 14.50. Die tijden ken ik uit mijn hoofd. Net als de namen van de vier S’en uit Noorwegen: Sjøbrend, Stensen, Stenshjemmet en Storholt. Buiten was het stil, iedereen zat voor de tv.
De vrouwen bakten er overigens niks van, maar dat was vier jaar later wel anders: goud voor Annie Borckink, zilver voor Ria Visser op de 1500 meter. Op die Spelen van 1980 zou Hilbert van der Duim wel even de medailles ophalen, maar hij werd verrast door een 21-jarig ventje uit de States. Eric Heiden won alle afstanden in uitsluitend olympische records.
En we volgden het ijshockey. Op onze rolschaatsen en met een hockeystick in de hand waanden we ons Vladislav Tretjak, Jirí Holecek en Jiri Holík! We waren dol op alpineskiër Rosi Mittermaier uit West-Duitsland en leefden mee met onze Dianne de Leeuw, die zilver won bij het kunstrijden.
En nu? Ik zit straks niet met een krant op tafel om de tussentijden te noteren. De Telegraaf maakt die pagina’s allang niet meer. IJshockey? Ik weet niet eens wie er meedoen. En alpineskiën en kunstschaatsen kunnen me gestolen worden. Gaat Femke Kok goud winnen? Op een paar Erbens en Tuiterts na boeit dat niemand nog iets, heb ik het idee. Als de Spelen beginnen op 6 februari, speelt NAC thuis tegen Excelsior. Zal ik alvast twee kaarten regelen?
Edwin Struis
Omdat de kou me echt gestolen kan worden, vertoef ik dezer dagen in warmere oorden. Niet alleen om op safari te gaan in Tanzania, maar ook om weer eens de zon te voelen op mijn bolletje. En als ik eenmaal in de Serengeti op kuddes leeuwen, zebra’s en gnoes ben gestuit, zullen de gedachten aan de komende Winterspelen helemaal snel vervagen. Het is dat jij zegt dat ze op het punt van beginnen staan, het zal allemaal wel.
Ik geloof dat NOS Sport inmiddels ook dit standpunt huldigt. Vanwege bezuinigingen wordt er verslag gedaan uit de bezemkast op het Mediapark, wat ze natuurlijk al jaren eerder hadden moeten doen. Want wie deden ze plezier met al die live-uitzendingen van World Cups ergens diep in Canada, de VS, China of zelfs vanuit Thialf, waar het altijd carnaval is? Alleen daarom al hoop je op een versnelde opwarming van de aarde, dat het schaatsen snel in de vergetelheid raakt, à la de Elfstedentocht.
Maar ik herken me wel in het beeld dat je schetst van vroeger. In de tijd van Ard en Keessie zaten we allemaal vastgeplakt aan de beeldbuis om Schenk driemaal goud te zien winnen in Sapporo en in 1988 stond ook ik op de Haarlemse Grote Markt om ‘onze’ Yvonne van Gennip toe te juichen na haar goldrush in Calgary. Natuurlijk had ik als stadgenoot en ex-klasgenoot een goed excuus om daar te staan, maar toch, toen leefden de Spelen nog wel bij mij, zoals ik acht jaar eerder in de voornacht naar de verrichtingen van het Nederlands ijshockeyteam keek op de Spelen van Lake Placid. Hard juichen toen Oranje, waarvan bijna niemand het Wilhelmus kende, op voorsprong kwam tegen Canada, waarna het alsnog 1-10 werd.
Het dichtst bij de Spelen kwam ik trouwens toen ik dé held van de Spelen van 1988 kon interviewen. Nee, niet Katarina Witt of Matti Nykänen, maar Eddie the Eagle. De schansspringer met de jampotglazen, die wonder boven wonder elke sprong overleefde hoewel hij geen idee had hoe hij beneden moest komen. Hij vroeg wel 150 pond voor een interview, maar verlaagde na mijn afwijzing telkens de vraagprijs totdat het bij 20 pond nogal potsierlijk werd en ik hem een etentje aanbood in Leicester. Toen hapte hij, niet zo moeilijk trouwens met zijn centenbak, toe. Zelden zo’n kostelijke gesprekspartner meegemaakt, echt een heerlijke mafkees.
Kom daar nu maar eens om, met al die moeilijke hittepetitjes, zoals Jutta Leerdam, met in haar gevolg die rare hapsnurker uit Amerika. Ik zeg: NAC-Excelsior, here we come!