De geur van de herfst hangt tussen de bomen als het gezin Van de Waerdt in het najaar van 1976 een zondagmiddagwandeling maakt. Ze doen hun gebruikelijke rondje, vanuit huis door een klein bos dat doodloopt op de snelweg die van Utrecht, via Arnhem naar West-Duitsland leidt. De dag begon grijs, maar nu genieten vader, moeder en hun twee dochters van de zon die toch nog door de wolken is gebroken. Het is de laatste oprisping van een mooie herfst, en dat terwijl de zomer ook al buitensporig fraai was.
Vader Jan en oudste dochter Melissa gaan voorop, het bospad slingert in de richting van parkeerplaats De Heul. Je kan de parkeerplaats vanuit het bos bereiken door over een laag hek te stappen, maar de familie mijdt de plek liever. De Heul is niet pluis, daar gebeuren dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. Ze slaan links af, terug naar huis. Melissa huppelt vooruit en zingt Daddy Cool van Boney M, de hit van dat moment. De gele prunusbladen ritselen onder haar voeten. Het is alsof het pad licht geeft.
Als het suizen van de A12 toeneemt, dringt een onaangename geur Melissa’s neus binnen. Een dood dier, denkt ze. Melissa kent de geur van kadavers. Haar opa runt een varkensfokkerij. De dode biggen legt hij gewoon aan de weg voor het destructiebedrijf, dat ze met een grijper op een vrachtwagen laadt. Misschien is er een hond aangereden op de snelweg die zich met zijn laatste krachten naar de bosjes heeft gesleept om er te sterven.
De achtjarige Melissa rilt bij de gedachte, ze is gek op honden. De geur wordt zo penetrant dat moeder en jongste dochter zich walgend afkeren, maar Melissa is nieuwsgierig. Ze volgt haar neus en stapt van het pad af, het struweel in. Daar gilt ze het uit, haar vader staat met één sprong naast haar. Aan hun voeten ligt een lichaam, het hoofd vrij en het lijf met dunne takken overdekt. Het vlees op het gezicht is donker van ontbinding. Door het lange haar weet Melissa meteen dat het een meisje is. Ze ligt op haar rug, de tenen omhoog, in een ondiepe kuil in de bodem.
Melissa gilt het uit, haar vader staat met één sprong naast haar. Aan hun voeten ligt een lichaam. Het vlees op het gezicht is donker van ontbinding
Het beeld staat vijftig jaar later nog op het netvlies van Melissa gegrift. De tenen van het meisje lijken wel witte asperges, denkt ze. Door de twijgen heen schemeren haar witte ribben. Vader en dochter staan een moment perplex. Maarsbergen, vlak bij hun huis, wie verwacht nu zoiets. De kinderen spelen daar vaak in het bos. Waarschijnlijk hebben ze de geur nu pas geroken omdat de wind in een bepaalde richting staat. Melissa’s vader grijpt een stok van de grond. Als Jan van de Waerdt zachtjes de schedel heen en weer beweegt, glijdt het haar ervan af.
Een lange streng donker haar. Op de plek van de ogen zitten twee gaten.
“Een lijk!” schreeuwt Van de Waerdt naar zijn vrouw, die met de jongste dochter op het pad is blijven staan. “Neem jezelf in de maling,” roept ze terug. Ze kent haar man. “Nee, geen grap. Kom kijken. Snel.”
Ze hoort aan de stem van haar man dat het menens is. Als ook zij het ontzielde lichaam ziet, daalt het besef pas echt in. In marstempo keren de vier terug naar huis. Buiten adem draait Jan van de Waerdt het nummer van de plaatselijke politie.
Rechercheur Willem Raa zit in zijn tuin te genieten van de late zon, als hij rond halfzes binnen de telefoon hoort gaan. Na een paar jaar marinier te zijn geweest, is hij bij de politie opgeklommen tot plaatsvervangend groepscommandant van de recherchegroep Utrecht. “De meldkamer,” roept zijn vrouw. Raa spoedt zich naar de huistelefoon aan de muur in de hal. Er is een stoffelijk overschot op parkeerplaats De Heul gevonden, vertelt een collega. Raa kent de reputatie van de parkeerplaats. Na zonsondergang verandert De Heul in een soort Sodom en Gomorra, met drugs, prostitutie en zwarte handeltjes. Een plek waar de rechtlijnige Raa van gruwelt. Hij belt zijn chef en springt in de auto. Nu mis ik Studio Sport, schiet het door hem heen.
Het schemert nog niet als Raa de hand van Jan van de Waerdt schudt. Op verzoek van de politie is hij teruggekeerd naar De Heul om de plaats delict aan te wijzen. Met enige moeite heeft hij zich los weten te weken van vrouw en dochters. “Wat als de moordenaar nog in de buurt rondloopt?” vroeg Melissa. In haar stem klonk angst en opwinding.
Het ontklede lichaam van het meisje bevindt zich op een steenworp afstand van de parkeerplaats. De geur van ontbinding slaat de mannen in het gezicht. Tussen het struikgewas ziet Raa het stoffelijk overschot liggen, een streng haar naast de schedel. Naast de lange lokken vallen hem de forse bovenbenen van het meisje op. En dat ze geen enkel kledingstuk aanheeft. Als even later Raa’s chef, adjudant Benthem, op de plaats delict arriveert, concluderen ze al snel dat ze die dag weinig meer kunnen doen. Het is eind oktober, de dagen worden korter. Ze zetten het draaiboek voor zeer ernstige delicten in werking. Samen met een paar toegesnelde collega’s bakenen de mannen het terrein af met linten, laten de plek bewaken en zoeken contact met de patholoog-anatoom Jan Zeldenrust. De volgende dag zullen flink wat manschappen nodig zijn om het terrein af te speuren, op zoek naar bewijs.
Haastklus
In de nog prille maandagochtend staan zeven mannen om de plaats delict: vijf rechercheurs, patholoog-anatoom Jan Zeldenrust en zijn chauffeur. Er is nauwelijks wind en onder de dikke wolken is de temperatuur aangenaam voor eind oktober. Willem Raa praat Zeldenrust bij. Diens chauffeur herhaalt alles op luide toon, zijn mond dicht bij een oor van de slechthorende Zeldenrust. Die knikt af en toe en trekt peinzend aan zijn onvermijdelijke sigaret. Ter plekke kan de patholoog-anatoom niet veel meer doen dan constateren dat het lijk in verregaande staat van ontbinding is.
De technische recherche treft op het ontklede lichaam niets aan dat zelfs maar een aanknopingspunt kan zijn voor de identiteit van het meisje. Daarop maakt de recherche het stoffelijk overschot vrij en brengt het over naar Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium in Rijswijk. Daar moet de sectie door Zeldenrust meer duidelijkheid geven over de doodsoorzaak, leeftijd van het meisje en datum van overlijden. Als het lijk is afgevoerd, constateren de rechercheurs dat het meisje in een natuurlijke ondiepte heeft gelegen, dat er geen graafwerk aan te pas is gekomen en dat het verbergen van het lijk waarschijnlijk een haastklus is geweest.
Ondertussen druppelen zo’n veertig rechercheurs binnen bij De Heul. Raa is nog zondagavond gaan bellen om een zoekploeg samen te stellen. Dat bleek een fluitje van een cent: als Raa belt, sta je klaar, al is het eerste kerstdag. Hij is een geliefde chef, streng doch rechtvaardig. Zijn priemende, bruine ogen geven hem een natuurlijk overwicht. In het bleke ochtendlicht roept Raa de mannen bijeen en verdeelt ze in groepen, met een coördinator aan het hoofd. ‘In linie’ kammen ze het terrein af.
De stilte wordt alleen doorbroken door het knappen van twijgen en het schelden van een coördinator als een rechercheur ‘uit linie’ loopt. Of als een rechercheur een schoen of een sok vindt die mogelijk van het slachtoffer is geweest en de technische recherche erbij roept. Het is op hoop van zegen. Uren zoeken de mannen schouder aan schouder, maar ze vinden niks. Dat wil zeggen: ze vinden blikjes, slipjes, spuiten, condooms, beha’s en sokken, maar niets wat naar de identiteit van het meisje kan leiden. Ook niet als ze met een grote zeef elke vierkante centimeter bosgrond in een flinke straal rond het plaats delict onderzoeken. Geen ringetje, geen oorbel, niks. De hoop is nu op de sectie gevestigd.
Maden
Na een paar dagen komt Zeldenrust met zijn bevindingen. Hij is dan al decennialang min of meer de enige patholoog-anatoom van Nederland. Een monopolist van het stoffelijk overschot. Gedurende zijn loopbaan verricht hij naar schatting 18.000 secties. Bij berichten over moordzaken wordt hij in de media steevast in een standaardzin genoemd: de politie wacht op het resultaat van de sectie door de patholoog-anatoom dr. Zeldenrust. Daardoor is het grote publiek vertrouwd met zijn naam.
In de boeken van Appie Baantjer is de dienstdoende patholoog-anatoom Rusteloos niet voor niets gebaseerd op Jan Zeldenrust. Hij is dé autoriteit op zijn vakgebied, een karakteristieke figuur, over wie talloze anekdotes de ronde doen. In een interview vertelde hij dat hij de meeste parfums slechter kan verdragen dan lijkenlucht. Zijn chauffeur fungeert als zijn handen en zijn oren. Naast chaufferen en ‘vertalen’ zaagt die borstbenen voor hem door. Publiek geheim is dat Zeldenrust niet altijd even subtiel te werk gaat bij een sectie. Als hij een haarmonster nodig heeft, rukt hij dat zonder dralen uit de schedel van het lijk. Gelukkig is bij dit meisje het haar al losgekomen van de schedel.
Patholoog-anatoom Zeldenrust acht het doorsnijden van de keel of verwurging de meest waarschijnlijke doodsoorzaak
In zijn sectie constateert Zeldenrust dat het gevonden meisje tussen de 1 meter 55 en 1 meter 60 groot is en kastanjebruin haar heeft van 43 centimeter lang. Op basis van de verhouding tussen haar gebeente en het kraakbeengehalte schat de patholoog-anatoom haar ten hoogste achttien jaar oud, maar een paar jaar jonger is ook mogelijk. In de geslachtsdelen van het lijk huizen maden, waardoor eventueel misbruik niet meer te achterhalen valt. Ook de oorzaak van overlijden kan Zeldenrust niet met zekerheid vaststellen. Hoogstwaarschijnlijk is die niet toe te schrijven aan ‘zware vergiften’, zo noteert hij in het sectierapport. Ook vindt hij geen schot- of steekwonden. Gezien de verregaande staat van ontbinding in de halsstreek acht Zeldenrust het doorsnijden van de keel of strangulatie, verwurging dus, de meest waarschijnlijke doodsoorzaak.
Verder komt Zeldenrust tot de conclusie dat het stoffelijk overschot minstens enkele weken maar misschien ook wel een paar maanden op De Heul heeft gelegen. De geweldsdaad moet dan zijn gepleegd in de bloedhete zomer van 1976, de warmste van de 20ste eeuw. Dat is de zomer waarin het poppenduo Bert en Ernie zijn televisiedebuut in Sesamstraat maakt, de Commissie-Donner haar rapport over de Lockheed-affaire presenteert en Dancing Queen van Abba wekenlang op één in de Top 40 staat.
De voor de recherche ontmoedigende realiteit is dat de dader geen enkel spoor heeft achtergelaten. Dat is ook de teneur in de talrijke krantenberichten in de dagen na de vondst. De media storten zich gulzig op de zaak van het Heulmeisje. (De naam ‘Heulmeisje’ duikt overigens pas later in de media op, eerst nog met aanhalingstekens, om de voorlopigheid aan te geven, maar al vrij snel daarna zonder.) De Waarheid, Het Vrije Volk, Leeuwarder Courant, Het Parool, het Algemeen Dagblad, de Volkskrant en De Telegraaf, allemaal publiceren ze over het gevonden meisje. Helaas niet altijd even secuur. Volgens De Telegraaf is de vinder een boer uit Maarsbergen, of preciezer, zijn hond die tekeerging en de bosjes in rende.
Een ander medium schrijft over een boswachter en zijn snuffelende hond. Veel kranten nemen telefoonnummers van de politie op. Zo schrijft De Telegraaf: ‘De Rijkspolitie verzoekt eenieder die meent iets met betrekking tot deze mysterieuze zaak te weten, contact op te nemen met de groepscommandant in Doorn, telefoon 03430-3344.’ De andere kranten doen iets vergelijkbaars. Het gevolg is dat het tips regent. Het technische onderzoek heeft weliswaar niets opgeleverd, maar het natrekken van de ongeveer 200 tips zal ongetwijfeld meer licht op de zaak werpen.
Moeilijk opvoedbare jongens
De hoeveelheid tips die op het bureau Doorn binnenstromen overtreft de verwachtingen. Om ze allemaal serieus na te kunnen trekken, is een fors team nodig. Luitenant Bulsing van het Korps Rijkspolitie in het district Utrecht, die de leiding over het onderzoek krijgt, laat zo’n twintig man vrijmaken. Willem Raa helpt hem bij de samenstelling van het team. Omdat de zogenoemde Recherche Bijstandsteams (rbt’s) die tegenwoordig bij zware misdrijven worden ingeschakeld midden jaren 70 nog niet bestaan, moet Raa de rechercheurs uit verschillende groepen wegplukken. Hij zoekt eigenwijze mensen met onverwachte ideeën. Hij heeft betrokken rechercheurs nodig, mensen die iets voelen bij de zaak, anders krijg je een vlak onderzoek. De ambitieuze jonge rechercheur Dick de Fluiter is zo’n man. Hij heeft die maandagochtend in linie meegelopen en viel op door ijver en bovengemiddelde nieuwsgierigheid. Het team wordt opgezet volgens een speciaal draaiboek dat de politie gebruikt bij ‘zeer ernstige delicten’. Dat draaiboek geeft voor bijna alle denkbare misdrijven een manier van werken aan. Ook voor de moord bij Maarsbergen.
Het politiebureau in Doorn is het zenuwcentrum van het onderzoek. Het pand is eigenlijk niet berekend op twintig extra mensen. Het is een duiventil met ineens uitvliegende rechercheurs. Elke ochtend om half 9 vergadert het team op de eerste verdieping om de stand van zaken door te nemen. Daarna waaieren de mannen uit om aan de slag te gaan met het natrekken van de tips en het buurtonderzoek. Het is eerder monnikenwerk dan spannend werk, vertelt Bulsing tegen een journalist van het Limburgs Dagblad. “De mensen moeten vooral niet denken dat we in Doorn net zo bezig zijn als Kojak, McCloud, Baretta en al die andere tv-rechercheurs.” Wel meent hij dat ‘dit zaakje’ in Maarsbergen heel uitzonderlijk is en dat het beslist heel spannende televisie zou kunnen opleveren. Het uitzonderlijke van de zaak zit hem in de nadrukkelijke afwezigheid van aanknopingspunten. Er is een lijk, er liggen op het Doornse politiebureau wat kledingstukken en een paar schoenen, gevonden op de plaats delict, maar die hoeven niet per se van het slachtoffer te zijn. Daarnaast is er een sectierapport van Zeldenrust, dat nauwelijks houvast biedt. Zelfs dat het om een moord gaat, staat niet voor 100 procent vast. Kortom, het team wacht een pittige uitdaging met twee lijnen: een zoektocht naar de dader en naar de identiteit van het meisje. De nadruk ligt op het laatste: pas als haar identiteit bekend is, kan het onderzoek op gang komen naar haar privéleven, vriendenkring, seksuele contacten, huiselijke sfeer, karakter, gedrag en uitgaansleven. En pas dan kan het team op zoek gaan naar een mogelijke dader en heeft het zin om te gaan nadenken over diens motieven en de toedracht.
Het buurtonderzoek is een tijdrovend karwei; in de omgeving van Maarsbergen bevinden zich veel vakantieoorden en -parken, met weekendhuisjes en stacaravans van mensen die verspreid over het hele land wonen. Vlak bij de plaats delict ligt het instituut Valkenheide, een technische school met bijbehorend internaat voor moeilijk opvoedbare jongens. Sommigen zijn door justitie daar geplaatst. Een aantal van hun leraren woont op het terrein van het instituut. Ook zij worden stuk voor stuk gehoord. De 400 ondervragingen leveren nog meer vage tips op, boven op alle andere die dankzij de publiciteit binnenkomen. Het team neemt ze allemaal serieus en hoort iedereen. Zo trekken de rechercheurs een tip na van een vrouw die in de zomer in de nabijheid van De Heul een man met een mes en een grote tak heeft bezig gezien. Wat blijkt: de man sneed gras voor zijn konijnen, de tak was erbij gedacht. En er duikt een man op zonder vaste verblijfplaats. De Partizaner noemt hij zichzelf. Die belt naar het bureau in Doorn en vertelt unverfroren: ik heb dat kind vermoord, kom me maar halen. Willem Raa pikt hem op en vraagt hem de plaats delict aan te wijzen. Uren dwaalt Raa met de Partizaner langs de weg tussen Leersum en Maarsbergen, kilometers verwijderd van de plaats delict. De man blijkt uit te zijn op een dak boven zijn hoofd, ook al is dat het plafond van een cel.
Zwaar geïrriteerd stuurt Raa hem weer de straat op. Al met al levert het onderzoek in de eerste tien dagen na de moord niets concreets op, niets wat naar de identiteit van het meisje wijst, niets wat naar de dader leidt. Wel wordt ervan uitgegaan dat de dader hoogstwaarschijnlijk een zedendelinquent is omdat het slachtoffer naakt was. Het is niet meer dan een aanname.
Duistere figuur
Nadat justitie het stoffelijk overschot heeft vrijgegeven, wordt het onbekende meisje begraven op de gemeentelijke begraafplaats in Maarn. Het is donderdag 4 november 1976, twaalf dagen na de vondst van het lijk en twee dagen na de verkiezing van Jimmy Carter tot president van de Verenigde Staten. Het is een doorsnee herfstochtend, bewolkt en een graad of acht. Aan de rand van het vers gedolven graf staan luitenant Bulsing, adjudant Raa, rechercheur De Fluiter en nog wat mensen, onder wie het echtpaar Van de Waerdt.
Ongemakkelijk kijken de aanwezigen elkaar aan, niemand zegt wat, tot de moeder van Melissa constateert dat de bloemen ontbreken. Halsoverkop rijdt ze naar de plaatselijke bloemist waar ze twee bloemstukken koopt: één namens de familie en één namens de politie. De volgende dag schrijft De Telegraaf met gevoel voor drama: ‘Op de begraafplaats van Maarn ligt een jong meisje begraven dat niemand kent. Alleen haar moordenaar weet wie zij is. Op het graf geen steen. Alleen verwelkte bloemen met een lint waarop geschreven staat: Laatste groet van het Recherche Team.’
Het zou om een Chinese vrouw gaan die iets van doen had met heroïnesmokkel Maar een telex uit Hongkong ontkracht dat idee
Na de begrafenis wordt het stil rond het jonge meisje dat niemand kent. Bij gebrek aan informatie over de zaak gaan de kranten zelf verhalen maken. Het AD schrijft: ‘In de annalen van de Nederlandse misdaadgeschiedenis werd die 24e oktober een nieuw mysterie bijgeschreven. De naam van het dode meisje, dat zo’n luguber graf langs de snelweg vond, is nog steeds niet bekend. Zelfs haar nationaliteit is een raadsel.’ Het Vrije Volk oppert op basis van bronnen bij de politie dat het mogelijk om een Chinese vrouw gaat die bij twisten tussen rivaliserende bendes geruisloos moest verdwijnen en dat zij iets van doen had met heroïnesmokkel. De Amsterdamse recherche mist het Chinese meisje Mo-Pen, een heroïnekoerierster. Al snel blijkt dat een verkeerd spoor; een telex uit Hongkong helpt het onderzoeksteam uit de droom.
De Telegraaf spant de kroon met een reportage over de dumping van het lijk. De krant ‘vergeet’ erbij te vermelden dat het artikel fictie is:
Een warme zomernacht, zoals er dit jaar zoveel waren. Uit de richting Utrecht nadert een personenwagen over de autosnelweg naar Duitsland. Even voorbij Motel Maarsbergen mindert hij vaart om de parkeerplaats De Heul op te draaien. De wagen stopt, de lichten worden gedoofd. Er stapt iemand uit die in de richting van het hek loopt dat de parkeerplaats van het aangrenzende bos scheidt. Alles lijkt op een zogenaamde sanitaire noodstop zoals die honderden keren per dag op parkeerplaatsen als deze worden gemaakt. Even later echter keert de duistere figuur weer bij zijn wagen terug en sleurt er een naakt meisje uit. Het meisje is dood.
Hij draagt het lijk naar een gat in het hek en sleept het vandaar, een tiental meters het aardedonkere bos in. Tussen de bomen is zijn hijgende ademhaling en het geluid van brekende takken het enige dat de doodse stilte verstoort. Het motorgeronk en de stampende banden van het nachtelijke verkeer op de Europese snelweg lijken ver weg, uit een andere wereld, te komen. Met z’n blote handen graaft hij de bovenste laag losliggende bosgrond weg tot er een ondiepe kuil is ontstaan, waarin hij het ontzielde lichaam van het meisje legt. Vervolgens dekt hij het toe met aarde, bladeren en takken. Niemand die er wat achter kan zoeken als hij even later het bos uit komt, in z’n auto stapt en wegrijdt in de richting Arnhem. Achter blijft het dode meisje...
Raa en De Fluiter storen zich zeer aan dit soort verhalen. Het stuk bevat aantoonbare fouten – het gaat bijvoorbeeld om een natuurlijke ondiepte en niet om een gegraven kuil. Kwalijker vinden de rechercheurs dat er ook aannames in staan die mogelijke getuigen op het verkeerde been kunnen zetten en het onderzoek schaden. Zo suggereert de journalist dat het meisje al dood was voordat ze op de parkeerplaats aankwam. Daar is geen enkele aanwijzing voor. Ook niet voor het feit dat ze naakt vervoerd is.
Verder gaat de journalist uit van één dader, een ‘duistere figuur’. Dat enkelvoud is een slag in de lucht, het is niet uitgesloten dat er meerdere daders in het spel zijn. Bovendien is het helemaal niet evident dat de dader het meisje in de auto meegenomen heeft naar De Heul. Het is zelfs verre van zeker of de dader wel via de snelweg kwam. Sommige rechercheurs uit het team achten het waarschijnlijker dat hij (of was het een zij?) van de andere kant is gekomen, vanaf de parallelweg, die van de afrit Maarsbergen langs de parkeerplaats richting Veenendaal loopt. Dat is een donkere bosweg, waar de stilte overheerst, vooral ’s avonds en ’s nachts. De dader hoefde maar een smalle strook bos door te steken om bij De Heul te komen, bijvoorbeeld via het pad dat de familie Van de Waerdt die bewuste zondag bewandelde.
De grote vraag blijft: wie is die jonge vrouw van ongeveer achttien jaar oud, 1 meter 60 lang, blanke huid, 43 centimeter lang kastanjebruin haar en een gaaf gebit met één ontbrekende kies – de eerste molaar in de rechteronderkaak?
Laatste poging
Met zijn coldcaseteam stortte Wim Perlot zich op deze oude moordzaak, toch bleef een doorbraak uit. Nu, vijf jaar na zijn pensioen, doet hij samen met journalist Boudewijn Smid een finale poging om de waarheid boven tafel te krijgen in het boek Het Heulmeisje. Het boek ligt vanaf deze week in de boekhandel en kost 22,99 euro.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct