Edwin Struis
‘Football without the fans is nothing’, staat er te lezen op het standbeeld voor de fameuze oud-manager John ‘Jock’ Stein voor de hoofdingang van Celtic Park, het imposante onderkomen van de Schotse grootmacht. In een wereld die snel infantinoseert, had ik precies dát nodig. Om m’n haperende voetbalhart van wat vers bloed te voorzien, bezocht ik begin januari de nieuwjaarseditie van de Old Firm, de aloude burenruzie tussen groen-wit en blauw, tussen katholiek en protestant, tussen the pope and the king.
Enkel om me te laven aan het indrukwekkende decor van 60.000 man voor wie een wedstrijd tegen Rangers veel meer behelst dan een potje voetbal. Het gaat om de eer, je identiteit, je reden van bestaan, bijna. In Glasgow is voetbal niet de belangrijkste bijzaak van het leven, het is veel meer dan dat, zoals de befaamde Schotse manager Matt Busby het ooit verwoordde.
Het afgelopen jaar had ik opeens m’n buik vol van het voetbal. Het ging enkel nog maar om geld, om de graaizucht van maffi(f)abaas Infantino en de zijnen die de ziel van de sport allang hebben verkocht aan de duivel. Zie hoe ze de prijzen voor de tickets voor het komende WK schaamteloos verhoogd hebben, zelfs voor de fanzones, waar supporters altijd kosteloos de wedstrijden konden volgen op grote schermen, wordt nu entree geheven.
Na een storm van kritiek heeft de wereldvoetbalbond de prijs van wat wedstrijdtickets verlaagd, maar dat is enkel voor de bühne. De fans die hun elftal door het toernooi willen volgen, zijn een fortuin kwijt en het is maar de vraag of de gouden bokaal niet al voor de finale is omgesmolten door die andere boef die, sinds hij de lachwekkende FIFA Peace Prize heeft ontvangen, al drie landen heeft gebombardeerd.
Alleen daarom al was ik blij met mijn bezoek aan de Old Firm. Celtic Park baadde in het zonlicht, de fans gaven een kippenvel-opwekkende versie van You’ll Never Walk Alone ten beste, maakten lawaai voor tien (totdat Rangers met 3-1 voorkwam) en riepen in de slotfase om het vertrek van de trainer, zoals het in het handboek van de fanatieke fan geschreven staat. Want in eigen huis verliezen van de gehate vijand is een enorme schandvlek die doorettert tot de volgende Old Firm. Met een brede grijns om de mond toog ik huiswaarts, op dat moment nog onwetend van een geannuleerde vlucht en een niet-geplande overnachting. Mijn hoogtepunt van het jaar zit er alweer op.
Thomas Braun
De Old Firm, ja, alleen al die benaming ademt zoveel passie voor de edele sport. En traditie, die je alleen nog in de bakermat van het voetbal tegenkomt. Ik heb de titanenstrijd in Schotland nooit mogen meemaken, de enige keer dat ik in de buurt kwam was mijn bezoek aan Giovanni van Bronckhorst – verreweg de aardigste voetballer die ik mocht interviewen – in het stadion van Rangers, waar hij in die tijd furore maakte. Hij liet mij alle krochten van Ibrox zien, in de kleedkamer poetste een schooljongetje met mooie dromen de schoenen van zijn helden en intussen was Arthur Numan de hele ochtend aan het klieren, je kent ’m.
Maar mag ik je even meenemen naar 31 augustus 2002? Mijn erudiete, kunstzinnige Gooise schoonouders van toen hadden een ambitieus idee: met z’n allen een weekend naar Londen. Zij dus, hun twee dochters en de schoonzonen. Op het menu stond: klassiek concert in de Royal Albert Hall, de Tate Gallery, het British Museum en nog een paar VPRO-activiteiten. Ik zei: als we naar Londen gaan, dan gaan we ook naar ‘de’ voetbal. En wel naar de Spurs, de club die net als De Graafschap en FC Groningen in het rijtje staat van Ajax-trauma’s, maar waar ik in de jaren tachtig een enorme fan van was. Man, Glenn Hoddle, volgens een Britse journalist de enige Engelsman die kon voetballen.
Toen ik mijn idee lanceerde, keek mijn schoonvader mij glimlachend aan en zei: “Leuk, dan ga ik die middag wel naar de National Gallery.” “Nee,” zei ik, “jij gaat mee.” Hij lachte me nu echt uit: “Ik ga toch niet naar vóét-bal?” Hij sprak het uit alsof we het over een besmettelijke ziekte hadden. Maar ik zette door, regelde zes kaarten en ik zie hem nog staan, daar in het naar pis en bier stinkende supporterskot, met zijn erudiete schoudertas.
Binnen was het een heksenketel. En toen Tottenham in de 93ste minuut een penalty kreeg bij 1-1 en er een kaal getatoeëerd monster schreeuwend opstond, tikte hij deze bloeddorstige bruut op z’n schouder en zei in Goois-Engels: “Can you sit down please?” Alsof ie in Carré was! Ik dacht: nou, die is klinisch dood. Maar de man ging zowaar zitten, Teddy Sheringham schoot raak en White Hart Lane ontplofte.
De volgend ochtend was ik iets te laat bij het ontbijt. Ik zocht de rest van het gezelschap en mijn oog viel op mijn stralende schoonvader, de natuur- en sterrenkundige. Hij hief zijn handen ten hemel en zong mij luidkeels toe: “COME ON YOU SPU-URS!” Onvergetelijk.