De homobom: het wapen dat libido als munitie wilde inzetten
Een gigantische bom die geen explosie veroorzaakt, maar van iedere soldaat spontaan een homo maakt. Dat is niet het uitgangspunt van een Monty Python-film die de bioscopen nooit haalde, maar een levensechte studie van de Amerikaanse luchtmacht, anno 1994. Geschoolde mannen in witte jassen van het Wright Laboratorium vroegen destijds bij het Pentagon om het bescheiden budget van 7,5 miljoen dollar voor de ontwikkeling van een ‘niet-dodelijk chemisch wapen’. Hun voorstel, in één zin: ‘een bom die een enorme stofwolk van vrouwelijke feromonen loslaat, die, zodra de vijandige soldaat deze inademt, diens hoofd volledig op hol doet slaan, waardoor desbetreffende soldaat richting zijn dichtstbijzijnde collega zal rennen, deze bespringen en uiteindelijk diens uniform hardhandig van het lijf zal rukken en met hem, urenlang, de liefde bedrijven.’ Net zo lang totdat de Amerikanen bovenaan de greppel staan en het land van hun tot homo gemaakte slachtoffers eenvoudig kunnen veroveren.
Het meest vreemde aan dit verhaal: het Pentagon verwerpt dit knotsgekke idee niet direct. Er is serieus over nagedacht en lang overlegd, tot in de hoogste rangen van de Amerikaanse machthebbers, om die 7,5 miljoen dollar toe te kennen aan het onderzoek naar de ‘Gay Bomb’. Men vond het idee van vijandelijke strijders ‘seksueel onweerstaanbaar voor elkaar maken’ uiterst aantrekkelijk. Aangenomen werd dat de ‘homobom’ een ‘onaangename maar niet-dodelijke’ morele klap voor de vijand zou bewerkstelligen. De titel van dit onderzoek luidde: ‘Intimiderende, vervelende en kwade bedoelingen van identificerende chemicaliën.’ Of de onderzoekers ook rekening hielden met vijandige troepen die zó hitsig waren dat deze misschien wel de linies zouden oversteken om ook een aantal onweerstaanbare, Amerikaanse eenheden te penetreren, laten de publicaties rondom de homobom in het midden.
Het maakt ook niks uit: het meest belachelijke project uit de militaire geschiedenis ging nooit door. De snuggere onderzoekers beseften tijdig dat de meeste mannen ‘niet zo heftig’ zouden reageren op die feromonen. Het Pentagon wist deze flater lange tijd geheim te houden, maar in 2007 kwam alsnog aan het licht hoe de Amerikaanse Defensie de roze bom serieus overwoog. Het leidde, vanzelfsprekend, tot een stortvloed aan reacties en sloeg in als, jawel, een bom. “Het verhaal geeft duidelijk aan welke verouderde ideeën er leven in het Pentagon over seksualiteit en over het verband tussen seksualiteit en het zijn van een goede soldaat,” relativeert een politieke analist van de Universiteit van Californië. “Veronderstellen dat iemand homo wordt als je hem met een chemisch middel besproeit, is belachelijk. Veronderstellen dat als je van iemand een homo maakt hij een slechte soldaat wordt, is eveneens belachelijk.”
Operation Sea Spray: de dag dat een hele stad proefkonijn speelde (zonder het te weten)
Bewoners van San Francisco moeten op 20 september 1950 toch vreemd hebben opgekeken toen ineens een roze gloed door de straten leek te zweven. Geen hond die wist er aan de hand was. Behalve het Amerikaanse leger dat was gestationeerd op een marineschip, vlak voor de kust van de Bay Area, en druk bezig was met bacteriën de lucht in te spuiten, bij wijze van experiment. Het leger wilde namelijk even testen hoe kwetsbaar een dichtbevolkte stad als San Francisco zou zijn. En of zo’n kuststad makkelijk het slachtoffer kan worden van een biologische aanval per schip. Zoiets meet je het makkelijkst als de ruim 800.000 inwoners van niks weten.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2FzXSceNOLPWPB2F1767872610.jpg)
Al die mensen vertellen dat zij levende proefpersonen zijn in een experiment met een chemisch wapen is ook zo’n gedoe. Dus begonnen Amerikaanse troepen op die laatste zomerdag in 1950 aan hun achtdaagse ‘Operation Sea-Spray’, alsof het niks was. Vanuit een klein marineschip, niet ver van de Golden Gate Bridge, pompten de soldaten acht dag lang de bacteriën Bacillus globigii en Serratia marcescens af op de nietsvermoedende bewoners van San Francisco. In de veronderstelling dat deze exoten onschadelijk waren voor mensen. Van een medisch monitoringplan was dan ook geen enkele sprake. Niet nodig. Dachten ze.
In de dagen na Sea-Spray verzamelde het leger op 43 locaties monsters, om de verspreiding van de bacterie te beoordelen. En die was flink: de bacteriewolk was 37 kilometer door de lucht gereisd. Daarmee was niet alleen San Francisco besmet geraakt, maar ook de omliggende voorsteden. Hoeveel mensen de miljoenen bacteriesporen inademden, is niet bekend. Wel dat het er héél veel waren en dat het voor sommigen de helemaal niet zo onschadelijk was als gedacht. Een week na het experiment meldden elf inwoners zich bij het Stanford University Hospital met exact dezelfde, zeldzame - en zeer ernstige - urineweginfectie. Ook het aantal longontstekingen in de stad rees ineens de pan uit. Zo’n uitbraak was ongekend en dus wezen de artsen al snel met het beschuldigende vingertje naar het lugubere experiment, toen daar achteraf toch nog over werd bericht.
Het verhaal kreeg een flinke staart, want één van die elf getroffenen, de 75-jarige Edward J. Nevin, overleed nadat de bacterie in zijn hart was terechtgekomen. En dus sleepten zijn nabestaanden – 67 familieleden sterk – het Amerikaanse leger 31 jaar na dato alsnog voor de rechter. Dat werd een verhitte strijd, waarin een Amerikaanse generaal een van Nevins kleinkinderen zelfs uitdaagde om een robbertje te vechten, na de rechtszaak. Het leger stond namelijk op z’n strepen: dit zou een volledig legitiem experiment zijn geweest, en de dood van Edward Nevin was gewoon ‘stom toeval’. Vanzelfsprekend deelde de rechter die gedachte.
Frappant: Operation Sea-Spray was slechts één van ruim 200 (!) soortgelijke, topgeheime experimenten die het Amerikaanse leger uitvoerde tussen 1940 en 1960. Zo werden wel vaker complete kuststeden besproeid met mysterieuze aerosolwolken. Of nietsvermoedende scheepsbemanningen blootgesteld aan testchemicaliën. Zelfs een test of men zwermen vlooien uit de lucht kon laten vallen, behoorde tot het repertoire van de onderzoekers van defensie.
De mechanische olifant was een brug te ver, maar de zwaarbewapende robothond schijnt een comeback te gaan maken
Mechanische olifanten: oorlog op pootjes
De Amerikaanse DARPA - voluit de Defense Advanced Research Projects Agency - is feitelijk een groepje creatievelingen dat ‘radicaal vooruitstrevende technologieën’ moet ontwikkelen om Amerika aan kop te krijgen én te houden. Zonder bureaucratie, maar wel met heel veel poen en vrijheid. Denk aan gewaagde experimenten, ‘droomprojecten’ en uitvindingen die je normaal alleen in films ziet. Soms is het DARPA succesvol, zoals toen het internet levensreddende mRNA-vaccins en gps aanjoeg, maar vaak zijn de experimenten lachwekkend, radicaal, bizar of alle drie tegelijk. Beruchtste voorbeeld: de mechanische olifant waarmee de Vietnamoorlog gewonnen zou worden.
In de rimboe van Vietnam hadden de Amerikaanse troepen de grootste moeite om zich snel te verplaatsen. En dus vroeg DARPA zich af: welk dier doet dat nou het beste? Juist: de olifant. Maar ja, iedere soldaat van een getemde olifant voorzien is ook zowat. Dan maar de beesten nabouwen, met aluminium en spijkers. Helaas: toen de grote baas bij DARPA lucht kreeg van een robotachtige dikhuid werd direct een dikke streep door het ludieke project gezet. Niet dat hij bang was voor kritiek – ‘Als we falen, falen we hard’ luidt het DARPA-credo - maar wel werd gevreesd dat het congres de financiering van zijn obscure denktank definitief zou stopzetten als ze hoorden van dit ‘verdomd idiote idee’. Zit wat in. Toch is DARPA, dat nog steeds rare ideeën heeft, nooit gestopt met het bedenken van snellere en effectievere manieren om te bewegen op het slagveld. Zo ontwikkelde het in 2009 daadwerkelijk een soort robothond, die 180 kilo aan wapens, medicijnen en andere strijdbenodigdheden kon vervoeren. De LS3, bij intimi bekend als Big Dog, werd enkele jaren later alweer opgeheven, maar de zwaarbewapende robothond schijnt een comeback te gaan maken.
De Bat Bomb: vleermuizen als brandbommen
Een bom vol vleermuizen ontploft boven een Japanse stad. Tientallen vlammende vleermuisjes vliegen en dwarrelen naar beneden. Huizen, ziekenhuizen en energiecentrales vliegen in de fik en uiteindelijk brandt de hele regio af. Missie geslaagd. Dit is niet het script van de nieuwe Terminator, maar een vergevorderd plan van, jawel, het Amerikaanse leger, anno 1943.
Ruim twee jaar lang werkte het machtigste gevechtsapparaat ter wereld in het grootste geheim aan de Bat Bomb: 40 vleermuizen – doordrenkt met brandbare vloeistof – gepropt in een kooi, die boven vijandelijk gebied moest worden aangestoken en gedropt. Dit fantastische idee ontstond op 7 december 1941, de dag dat Pearl Harbour werd aangevallen door de Japanners.
Een zekere tandarts, Lytle Adams, vierde op dat historische moment vakantie in New Mexico, waar hij vooral onder de indruk raakte van de grotten vol vleermuizen. Gedreven door wraak bedacht de Amerikaan een even duister als agressief antwoord op de Japanners: hen bestoken met fikkende vleermuizen. Met aan hun pootjes een ontstekingsmechanisme, zodat het tikkende tijdbommetjes zouden worden. Geniaal, dacht hij, want in Japan woonden ze immers nog veelal in houten huizen. Zo’n bom was ook nog eens ethisch verantwoord, want de onschuldige burgerbevolking zou genoeg tijd hebben om de in lichterlaaie staande huizen te ontvluchten.
Het mooiste van alles: het leger liet Lytle Adams niet in een dwangbuis afvoeren naar een psychiatrisch ziekenhuis toen hij met het idee kwam aankloppen, maar prees de inventieve tandarts de hemel in. Het idee ging zelfs linea recta door naar de hoogste instanties. En daar was men niet minder enthousiast. Zowel president Franklin Roosevelt, de National Defense Research Committee als gerenommeerd zoöloog Donald Griffin bestempelde de Bat Bomb als ‘haalbaar’. Sterker: de vleermuisbom zou eventueel een upgrade kunnen krijgen, tot vleermuisatoombom zo dacht men. Vleermuizen uitgerust met het dodelijkste wapentuig dat er is: why the hell not?!
Helaas – of godzijdank eigenlijk – kwam de Bat Bomb er nooit. Na meerdere experimenten, twee miljoen dollar, twee jaar, meerdere afgebrande testlocaties en talloze ontsnapte vleermuizen bedacht men: dit gaat nooit werken.
Active Denial System: high-tech heetmaker versus demonstranten
Een vreedzame demonstrant omverblazen met een waterkanon, dat doe je niet. Een agressieve actievoerder te lijf gaan met slechts een schild en rubberen stokje is dan weer te minimaal. En dus broedt men in de VS nu al jaren op een ultiem wapen tegen boze menigtes en koppige demonstranten. Zie hier het Active Denial System, kortweg ADS, een busje met daarop een gigantische projector die een soort hittestraal kan genereren. Klinkt niet prettig. Is het ook niet. “Je voelt niet per se dat je huid kookt, maar je voelt zeker een pijnsensatie,” zegt een betrokken ontwikkelaar in tijdschrift Forbes. “Degenen die het hebben ervaren, zeggen dat het voelt alsof je huid in brand staat.”
Het technische verhaal: in de projector huist een technologie die extreem hoogfrequente elektromagnetische straling gericht kan beamen. Op een groepje Extinction Rebellion-demonstranten, om maar wat te noemen.
In 2002 verschenen de eerste berichten over de ADS, maar de daadwerkelijke inzet van deze rijdende magnetron is daarna slechts sporadisch geweest. Niet om de minste redenen: tests op militaire vrijwilligers hebben geleid tot serieuze brandwonden, blaarvorming en langdurige pijn. Bovendien kunnen de elektromagnetische golven doordringen tot onze bloedvaten, zenuwen en klieren. Voorlopig nog maar even dat waterkanon laten loeien.
Skunk meurt erger dan een verstopt riool, 100 verwaarloosde GFT-bakken én de wc van Terror Jaap bij elkaar
Skunk: de stankbom die protesten breekt en neuzen traumatiseert
Waar het Active Denial System nog als te omstreden wordt beschouwd voor de echte wereld, gaat Israël – als enige land ter wereld – tijdens demonstraties al een poosje daadwerkelijk aan de haal met een ander, dubieus experiment: skunk. Dit goedje werd, niet toevallig, uitgevonden door een Israëlisch bedrijf en in 2008 voor het eerst ingezet door het leger aldaar, tegen demonstranten op de bezette Westelijke Jordaanoever. Sindsdien is dit chemische brouwsel niet meer weg te denken en sproeien Israëlische pantservoertuigen er lustig op los. Maar wat is het? Skunk is niets meer dan gist, bakpoeder en water door elkaar gemengd. Klinkt onschuldig. ‘100% ingrediënten van voedingskwaliteit’ en ‘100% milieuvriendelijk, onschadelijk voor zowel de natuur als de mens’, zweert de producent. Maar schijn bedriegt. Skunk, vernoemd naar het stinkdier, meurt erger dan een verstopt riool, 100 verwaarloosde GFT-bakken én de wc van Terror Jaap bij elkaar.
In een verhaal van de BBC spreken bespoten ervaringsdeskundigen van ‘een geur erger dan ongezuiverd rioolwater’, ‘een mengsel van uitwerpselen, schadelijk gas en een rottende ezels’ en ‘rioolwater vermengd met rottende lijken’. Een Palestijnse fotograaf schetst: “Ik zat klem bij een muur en werd van top tot teen bedekt met skunk. Daarna stonk mijn auto en dwong mijn vrouw mij om me buiten uit te kleden. Een van mijn camera’s was kapot en de rest van mijn uitrusting stinkt maanden later nog steeds.”
Naast boze echtgenotes veroorzaakt skunk intense misselijkheid, hevig kokhalzen, braken, huidirritatie, oog- en buikpijn en haaruitval. Niet heel onschuldig dus. En ook niet onomstreden. Het Israëlische leger zou dit middeltje namelijk allang niet meer alleen gebruiken bij protesten, waar het ooit voor bedoeld was, maar eigenlijk te pas en onpas inzetten. En dan vooral tegen Palestijnen. “Veel Palestijnen zien deze onaangename geur als een vernedering, een collectieve bestraffing, aangezien skunk bijna uitsluitend tegen hen wordt gebruikt,” zegt een lokale schrijfster. “In het Arabisch noemen we deze machine ‘kharara’, letterlijk vertaald ‘de poeper’.” Wie weet staan de gevreesde Skunk-wagens straks ook bij de voetbalstadions van Ajax, PSV en Feyenoord. Het goedje lijkt zich namelijk te verspreiden. De Amerikanen hebben er recent aan geroken en er al een shitload van ingekocht.
Wervelwindkanon: de nazi-blower die vliegtuigen omver zou blazen
De nazi’s waren berucht om hun krankzinnige experimenten. Mosterdgasproeven, bevriezingsexperimenten, tyfus- en vaccinproeven; alles om de oorlog te winnen. Een van de meest creatieve (of achterlijke, vul zelf maar in) ideeën kwam van de Oostenrijkse natuurkundige én overtuigd nazi Mario Zippermeyer: de lucht als wapen gebruiken. Wie bitte? Een wervelwindkanon. Een kolossaal apparaat dat oogde alsof iemand een industriële afvoerpijp had laten ontsporen: een enorme, schuin aflopende buis die als een reusachtige arm in een gigantische sokkel rustte, klaar om een klap te verkopen. Dit monster werkte op een explosief mengsel van waterstof en zuurstof dat, eenmaal ontstoken, een gigantische plof veroorzaakte. Die explosie perste een klomp samengeknepen lucht en waterdamp door de loop, een soort hyperactieve windvlaag, die met de kracht van een kleine granaat door de wereld moest razen. In het Duitse Hillersleben werd het gevaarte getest, en jawel: op 200 meter afstand sneuvelde een plank van 25 millimeter dik alsof het een beschimmelde cracker was. De nazi-ingenieurs moeten even hoopvol hebben geknikt. Om vervolgens te ontdekken dat vliegtuigen, helaas, nét iets aerodynamischer en steviger zijn dan zo’n plank.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2Fdf8STTdPR5ykNa1767872814.jpg)
De schokgolf die volgens Zippermeyer een bommenwerper uit de lucht zou meppen, bleek in de praktijk niet meer dan een opgefokte tegenwind. Na een paar halfslachtige pogingen ging het wervelwindkanon dezelfde kant op als zoveel nazi-wapenfantasieën: de archiefkast in, diep weggestopt in een prullenbak die waarschijnlijk nog groter was dan het apparaat zelf.
Project Iceworm: honderden kernraketten verstopt onder een schuivende ijskap
In 2024 vlogen klimaatwetenschappers boven Groenland om de ijskap in kaart te brengen, toen ze plotsklaps in een Indiana Jones-film belandden en de resten van een vergeten Amerikaanse nucleaire droom ontdekten, die diep onder het ijs geparkeerd was. “We hadden geen idee wat we zagen,” bekende NASA-onderzoeker Alex Gardner. Wat bleek? De onderzoekers waren letterlijk over een spookstad gevlogen. Lang vóór klimaatmodellen en smeltcurves waren de ogen van het Pentagon gericht op de poolcirkel. In een tijd waarin kernwapens, supersonische bommenwerpers en intercontinentale raketten de strategische horizon bepaalden, gold Groenland - officieel Deens, geografisch perfect gelegen tussen Washington en Moskou - als de ultieme locatie voor nucleaire afschrikking. Dus besloot het Amerikaanse leger in 1959 om Camp Century uit de permafrost te hakken: 21 metalen tunnels die zich over drie kilometer onder de ijskap uitstrekten. Compleet met kantine, kliniek én wasruimte. Deze basis was onderdeel van een nog veel groter experiment: Project Iceworm. Die hield in grote lijnen in dat 11.000 militairen permanent onder het ijs zouden wonen, in een ondergronds raketnetwerk waarin honderden gemodificeerde raketten per spoor door gigantische tunnels constant verplaatst zouden worden, zodat niemand wist waar de daadwerkelijke lanceerpunten zich bevonden. Een bewegend woud van nucleaire tanden onder het oppervlak van Groenland, onzichtbaar en onberekenbaar.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2F9OustydnNowCuF1767872783.png)
Maar zoals wel vaker bij megalomane plannen haalde de natuur de rode stift erdoorheen. De ijskap bleek minder een solide dak en meer een traag schuivende, knarsende reus die tunnels vervormde, structuren kraakte en het optimisme van het Pentagon langzaam verpulverde. Rond 1967 gaf het leger toe dat Iceworm technisch én financieel niet te temmen was. Camp Century werd verlaten, en de poolwind mocht de rest doen.
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct- Panorama 01
- ANP, AP, Adobe Stock e.a.