Clown én muziekkenner
Jan Paparazzi (1963) is een man met vele namen en gezichten. Hij kwam in Rotterdam ter wereld als Jan Zwart, werkte als Jan van Zanten bij de piratenradio en is al decennia in onze showbizz bekend als Jan Paparazzi. Televisiebekendheid kreeg hij als de bijzitter van Robert Jensen in diens talkshow, waar Paparazzi louter lachte en kijkersvragen stelde.
Het gezicht van Paparazzi raakte tussen 2004 en 2013 wereldberoemd in Nederland toen hij met rode clownsneus werd gebruikt als profielfoto voor Hyves-gebruikers die geen eigen foto uploadden. De afgelopen jaren is de muziekkenner en -verzamelaar actief bij Sterren NL als presentator van zijn eigen Jan Paparazzi Show, te horen van maandag tot en met donderdag tussen 16.00 en 19.00 uur.
Voor de mensen die het nog steeds niet weten: hoe ben jij eigenlijk aan die bijnaam Jan Paparazzi gekomen?
“Dat komt uit de jaren negentig, toen ik met Robert Jensen radio maakte bij Veronica. Hij vond dat ik heel veel wist van Nederlandse artiesten. Ik kon eindeloos vertellen over mensen als Anny Schilder of Ben Cramer en al die namen uit de Hollandse muziek. Op een gegeven moment zei hij: Jij hebt een naam nodig die daarbij past. Toen bedacht hij: Jan Paparazzi. Het is een naam die lekker bekt en iedereen snapt meteen wat de lading is. Sindsdien ben ik hem nooit meer kwijtgeraakt.”
Je heette dus niet altijd zo op de radio.
“Nee. Toen ik begon, heette ik Jan van Zanten. Ik moest een andere naam hebben, omdat wat wij deden in die tijd illegaal was. Ik begon bij de piratenzenders. Als je dan gepakt werd, kon je een andere naam opgeven. In het begin was etherpiraterij nog een overtreding. Je moest voorkomen en plechtig beloven dat je het nooit meer zou doen, dan kreeg je een boete van een paar honderd gulden en ging je daarna doodleuk weer verder.”
'Nederlandse muziek is gigantisch populair. Het is ook een reactie op de permanente bombardementen van narigheid in de wereld’
Hoe kwam je bij die piraten terecht?
“Ik ben opgegroeid in Pernis, een dorp onder de rook van Shell bij Rotterdam. Aardige mensen hoor, maar iedereen is daar onderhoudsmonteur bij Shell. In het dorp zelf gebeurde er minder dan niks. Ik had al vrij snel door dat ik daar weg moest, anders kon ik nooit doen wat ik wilde. Mijn blik was altijd op Rotterdam gericht. In die tijd had je daar grote piratenzenders, dat kun je bijna vergelijken met de commerciële radio van nu. Professioneel, 24 uur per dag in de lucht, met reclames en grote luistercijfers. Ik kwam terecht bij Free Radio Rotterdam, een zender op Zuid.”
Hoe zag dat eruit, zo’n piratenstation?
“Die zender werd gerund door een familie die twaalfhoog in een flat woonde. Vader, moeder en hun zoon Hans Tieleman. Omdat ze zo hoog zaten, hadden ze maar weinig vermogen nodig om heel ver te komen. Iedereen wist waar het zat, je zag de antenne gewoon. In dat flatje liepen de hele dag mensen in en uit om programma’s te maken. Die zender heeft zeven jaar bestaan en in die tijd zijn ze 42 keer uit de lucht gehaald op hetzelfde adres. Dan kwam de politie, die nam zendapparatuur, mengpanelen en soms platen mee en een paar uur later zaten ze gewoon weer op dezelfde frequentie in de lucht. Dat vond ik geweldig: niet opzijgaan, gewoon doorgaan.”
Wanneer ontdekte je dat radio voor jou meer was dan een hobby?
“Als kind merkte ik al dat de sfeer beter werd als er muziek aan stond. Ik vond het nooit ongezellig thuis, het was gewoon wat het was, maar met de radio aan werd het leuker. Dat gevoel is de kern van waarom ik radio maak: ik heb iets leuks en jij moet luisteren. Ik wil dat mensen zich beter voelen als ze afstemmen. Dat had ik toen al en dat is nooit meer weggegaan.”
Je was als tiener ook al gek op showbizz en bladen.
“Ja, mijn oma nam de roddelbladen mee en zelf kocht ik de Joepie, Hitkrant, Popfoto, Muziek Parade, Muziek Expres, noem maar op. Ik kreeg een gulden of twee zakgeld en zo’n popblad kostte 1,50. Dan kocht ik dat en was ik dolblij. Mijn moeder vond het steevast zonde van m’n geld. Maar ik vond dat totaal niet zonde, want ik las over een andere wereld die ik ontzettend interessant vond. De showbizz kwam tot leven in die bladen. Als ik om me heen keek, gebeurde er niets. In die bladen gebeurde alles.”
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2FruRLhaAr7TrTeu1767795566.jpg)
En al die feiten ben je nooit meer vergeten…
“Ik heb gelukkig altijd een goed geheugen gehad. Ik heb heel veel onthouden van artiesten, muziek, jaartallen. Ik heb eens meegedaan aan het programma Wedden dat ik het kan. Toen kreeg ik tien fragmenten te horen van platen uit de periode 1965 tot 1995. Twee seconden van de intro, meer niet. Ik moest titel, artiest en jaartal noemen. Ik had alles goed, maar ik doe het nooit meer. De spanning, camera’s, lampen en dan die twee seconden, dat was echt een opgave.”
Je verzamelt nog steeds alles wat met muziek en showbizz te maken heeft.
“Ik heb nog steeds stapels oude gidsen en bladen. Ik heb alle Veronica-gidsen vanaf 1971. Ik vind het prachtig om voor mijn Jan Paparazzi Show op Sterren NL in januari een oude gids van januari 1977 erbij te pakken en te zien wat er toen op radio en tv te horen en te zien was. Je gaat terug naar die periode. Ook popbladen uit de jaren zestig heb ik, met Cliff Richard, Elvis, Conny Froboess op de cover. Ik ben liefhebber én verzamelaar. Niet om het ooit te verkopen, maar om het af en toe weer open te slaan.”
Is radio je grote liefde?
“Altijd. Na de tijd op tv bij Jensen ben ik niet voor niks teruggegaan. Ik heb een paar jaar bij Robert op de bank gezeten in zijn talkshow, de lachzak noemden ze me, smoking aan en een heerlijk sfeertje. Er werd in een half uurtje Jensen meer gelachen dan in een hele week Nederlandse tv. Maar uiteindelijk kies ik toch voor de microfoon.”
Wat maakte Jensen voor jou zo leuk?
“Robert en ik hadden een heel goeie klik. We hielden van dezelfde humor, waren met dezelfde passie voor radio en tv bezig. Hij is iemand die alles met enorme gedrevenheid doet en dat sprak mij enorm aan. In de talkshow was hij de uitgesproken presentator en had ik een beperkte rol met de kijkersvraag. De show heette dan ook Jensen, niet Jan Paparazzi. Dat was prima. Het was zijn show. Maar het was een geweldige tijd, met vaak absurde gasten.”
‘In de film Titanic heb je die man die nog een whisky bestelt terwijl hij weet dat het schip gaat zinken. Dat ben ik’
Welke gast vergeet je nooit meer?
“We hadden eens een bejaarde Engelse stuntman te gast. Die kon zogenaamd een auto optillen met zijn blote handen, een Fiat 500. Voor de tv leek het alsof hij die hele auto optilde, maar ik zat aan de achterkant en zag dat er maar een klein deel van die auto over was. De rest was weggehaald. Na afloop vroeg ik hem of het goed ging. Hij zei: Not bad at all, but I had a sad week. Bleek dat zijn vrouw de dag ervoor was overleden. En dan staat hij daar, een dag na het overlijden van zijn vrouw, een halve auto op te tillen in een Nederlandse talkshow. Dat soort absurditeit blijft je bij.”
Tegenwoordig zit je stevig bij Sterren NL. Hoe ziet jouw week eruit?
“Ik werk eigenlijk elke dag. Ik heb iedere dag een radioprogramma, de Jan Paparazzi Show of de Sterren NL Top 25. Op zaterdag werk ik met Jan Smit mee aan zijn radioprogramma en op Radio 5 heb ik de Weekendborrel. In de praktijk ben ik zes tot zeven dagen per week weg, maar het voelt nooit als werken. Als je doet wat je leuk vindt, ben je nooit aan het werk.”
Wat vind je zo bijzonder aan Nederlandstalige muziek?
“Mijn eerste singletjes waren van Vader Abraham, Corry Konings en Benny Neyman. In die platen hoor ik warmte. Nederlandstalige muziek kan je echt raken. Die kan kippenvel geven, ontroeren, verbinden. Omdat het je eigen taal is komt het zo hard binnen. Ik hou ook van Engelstalige muziek, maar Nederlandstalige liedjes hebben iets extra’s. Ze brengen je in een sfeer die je precies begrijpt.”
Je klinkt als een soort vaandeldrager van de Nederlandse taal.
“Ik ben een voorvechter van Nederlandstalige muziek en van de Nederlandse taal, ja. Dat heeft ook te maken met houden van je land en van wat we hier hebben. Ik ben een conservatieve Nederlander, een rechtse conservatieve Nederlander als je het zo wilt noemen. Dat heeft niks te maken met iedereen het land uit willen sturen. Het gaat erom dat je waardeert wat er is opgebouwd.”
Maak je je zorgen over de Nederlandse identiteit?
“Ik vind het geen goede ontwikkeling dat je in Amsterdam geen broodje meer in het Nederlands kunt bestellen. In de grote steden zie je een enorme internationalisering. Tradities veranderen altijd, daar moet je niet hysterisch over doen. Maar ik begrijp wel dat er een tegenreactie is. Globalisering duwt alles naar één grijze internationale massa en dan zie je dat mensen zich juist meer vastklampen aan hun eigen cultuur en muziek.”
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2FEdbV4LYUQz2uvz1767795663.jpg)
Zie je dat terug in de populariteit van Nederlandstalige muziek?
“Zeker. Kijk naar het platteland, keten, kroegen, grote evenementen. De Nederlandse muziek is gigantisch populair. Het is ook een reactie op de permanente bombardementen van narigheid in de wereld. Oorlogen, klimaat, spanningen, nieuws dat altijd negatief is. Daar tegenover staat die behoefte aan warmte, gezelligheid en herkenbare muziek. Dan is het niet zo gek dat het Nederlandstalige lied zo groot is geworden.”
Stoort het je dat Nederlandstalige muziek op de ‘gewone’ radio nog steeds een ondergeschoven kindje is?
“Ja, dat vind ik echt raar. Er is geen enkele grote Nederlandse zender die gewoon een uur lang Nederlandstalige muziek draait. Al is het ’s nachts tussen drie en vier, vijftien Nederlandstalige platen achter elkaar in het volksgenre: het bestaat niet. Het zit allemaal weggestopt op subkanalen. Daar strijd ik tegen. In Duitsland hoor je Duitse muziek op de grote zenders, in Frankrijk Franse muziek. Hier moet het altijd een beetje verstopt worden. Ik zie mezelf wel een beetje als een nieuwe Chiel Montagne. Die stond ook op de barricaden voor Nederlandstalige muziek.”
Ben jij een vriend van de sterren of blijf je als presentator altijd op gepaste afstand?
“Het blijft professioneel. Het is een relatief kleine scene, misschien vijftig vaste artiesten die langskomen. Je ziet ze een of twee keer per jaar, maar ik kom niet bij ze thuis. Ik vind het leuk om met ze te praten en ze te laten schitteren, maar mijn rol is presentator. Ik ben nieuwsgierig, ik wil weten wat er achter iemand zit, maar ik laat ze niet struikelen. Ik geef ze een tikkie, een porretje, nooit een duw van de trap.”
Hoe geef je zo’n porretje?
“Door net iets te vragen wat ze niet verwachten, door te zeggen: Dat meen je toch niet, dat kan toch niet waar zijn wat je nu zegt? Dan moet iemand reageren, dan komt het echte verhaal. Je zet iemand heel even verbaal tegen de muur, maar je vangt hem ook weer op. Dat spel vind ik leuk. Ik houd van pittige vragen, maar niet van mensen onderuithalen.”
Is er echt níémand in het Nederlandstalige genre die je niet kunt uitstaan?
“Nee, dat klinkt misschien saai, maar ik kan er echt geen één noemen. Tino Martin vind ik bijvoorbeeld een fantastische gast met een geweldige stem, terwijl anderen hem een kwal vinden. René Froger, Jeroen van der Boom, allemaal aardige mannen. Ik vind het leuk om met ze te praten. En als je ze eenmaal kent, vallen de scherpe randjes vaak ook wel mee.”
‘Iemand van wie je heel veel houdt, wordt volledig afgebroken door chemo’s. Haar, wimpers, wenkbrauwen, nagels; alles gaat eraan’
Kun je rouwen om artiesten die overlijden, of blijft het werk?
“Natuurlijk raakt dat mij. Als iemand als Rob de Nijs overlijdt, zie je het aankomen, maar dat maakt het niet minder erg. Bij iemand als René Karst komt het keihard binnen. Hij was niet ziek, had geen hoge leeftijd. Op een vrijdagochtend kreeg ik een telefoontje of ik om twaalf uur een ingelaste uitzending wilde doen op Sterren NL om zijn overlijden bekend te maken. Dat was een heel emotionele uitzending. Ik kreeg die middag zo’n tweeduizend appjes van luisteraars. Mensen waren er echt kapot van.”
Wat doet zo’n dag met jou?
“Dan voel je dat Nederland een stukje minder vrolijk wordt. Omdat het Nederlandstalig is, krijgen de liedjes ineens een andere lading. Als iemand die er niet meer is zingt over liefde, afscheid en verlies, dan hakt dat erin. Ik vind dat heel mooi en heel droevig tegelijk. Het is alsof er een klein stukje kleur van het land af gaat als zo iemand wegvalt.”
Je komt over als iemand die altijd vrolijk is: ben je nooit somber?
“Eigenlijk niet. Er is genoeg te klagen, maar ik doe er niet aan mee. In die paar jaar dat we hier zijn, tussen niks en eeuwigheid, wil ik het gezellig hebben, positief zijn en leuke dingen doen. In de film Titanic heb je die man die nog een whisky bestelt terwijl hij weet dat het schip gaat zinken. Dat ben ik. Ik ben niet een van die muzikanten die doorspelen en ook niet iemand die gillend over het dek rent. Dit is wat het is, maak er het beste van.”
Je hebt eens gezegd: ik ben al een keer dood geweest. Hoe zat dat?
“In 2018 heb ik een hartstilstand gehad. Ik lag boven in huis, mijn vrouw Sandy was beneden en hoorde een klap. Zij vond me schokkend en stuiptrekkend op de grond. Zij heeft me gereanimeerd, terwijl ze dat nog nooit had gedaan. Via de telefoon hebben ze haar uitgelegd hoe het moest. Op een gegeven moment kon ze niet meer en zei ze dat ik dood was. Toen zeiden ze: doorgaan, doorgaan, doorgaan tot de hulpdiensten er zijn. Zij heeft mijn leven gered.”
Nu zit zij zelf midden in een ziekteproces.
“Ja, dat is de harde werkelijkheid. Ze heeft uitgezaaide borstkanker. Sinds 13 juni 2025 staat ons leven op zijn kop. We zijn al meer dan tien jaar samen en dit is de zwaarste periode uit die hele tijd. Dit gun je niemand. Iemand van wie je heel veel houdt, wordt volledig afgebroken door chemo’s. Ze heeft nu dertien van de zestien chemo’s achter de rug. Haar haar, wimpers, wenkbrauwen, nagels, alles gaat eraan. Alles doet zeer. En je hoopt maar dat het aanslaat en niet voor niets is. Ik probeer er voor haar te zijn door te praten, te luisteren en alles bespreekbaar te maken, maar uiteindelijk moet zij die strijd zelf leveren.”
Wat wordt 2026 voor jullie?
“Dit wordt het jaar van de waarheid. Eind januari staat een operatie gepland. Dan gaan ze kijken of alles is aangeslagen en of alles weggehaald kan worden. Daarna komt nog een serie bestralingen in februari en maart en dan nog een half jaar chemotabletten. Bij haar type borstkanker, triple negatief, is de kans dat het binnen een paar jaar terugkomt groot. Dat is geen doemdenken, dat is gewoon een feit. We zijn er nog lang niet, maar in 2026 wordt wel duidelijk of het goed komt. Het is alles of niks.”
Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct- Panorama 01
- Clemens Rikken