Iedere dag het nieuws dat echte mannen interesseert
Premium

De geschiedenis van armenzorg en uitbesteding in Nederland: 'Alsof opa een stuk vee was’

We spreken er schande van als kinderen uit huis geplaatst worden, maar niet heel lang geleden werden (wees)kinderen, mensen met een beperking en ouderen in ons land soms voor een schamel bedrag toegewezen aan gezinnen, boeren en ambachtslieden. Kwetsbaren kregen zo kost en inwoning in ruil voor werk. Een duik in de geschiedenis van uitbesteding en armenzorg in Nederland. “Op een dag was er geen thuis meer.”

Armenzorg

Googel de woorden ‘bestedelingen in Nederland’ en je krijgt slechts luttele zoekresultaten. Ook in de geschiedenisboeken lees je er nagenoeg niks over terug. Terwijl tot ver in de twintigste eeuw de kost en inwoning van kwetsbare Nederlanders, die niet in staat waren om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, door bijvoorbeeld de gemeente, kerk, of andere instelling werd uitbesteed aan particulieren of tehuizen.

Schrijver Menno Lanting stuit op dit onderbelichte hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, wanneer hij op zoek gaat naar verhalen over zijn overgrootmoeder Geesken Staal. Ze was wees, net als zijn oma. Behalve haar naam, is volgens Lanting weinig bewaard gebleven. Hierdoor groeide zijn verlangen om dieper in zijn familiegeschiedenis te duiken. “Tragisch genoeg overleed mijn overgrootmoeder op 45-jarige leeftijd in het kraambed bij de geboorte van haar achtste kind,” vertelt Lanting. “Er werd weleens gefluisterd dat ze als kind in een kindertehuis in Deventer was terechtgekomen, maar zelfs dat wist de familie niet zeker.” Tijdens het doorspitten van dossiers van voormalige weeshuizen, op zoek naar overgrootmoeders verleden, vindt Lanting tot zijn grote verbazing uitbestedingsformulieren van weeskinderen. “De term bestedeling zei me vaag iets, maar ik wist niet meteen wat ik in handen had. Nadat ik meerdere bronnen raadpleegde, ging er een wereld voor mij open. Ik kwam erachter dat kinderen niet altijd als groep binnen de muren van een instelling opgroeiden, maar soms afzonderlijk in vreemde gezinnen werden geplaatst. Dit gebeurde ook met arme ouderen en mensen met psychische problemen.”

Schaamte

Aan de hand van archieven, persoonlijke verhalen en historische documenten legt Lanting in twee jaar tijd het systeem van uitbestedelingen bloot. Lantings grootmoeder blijkt op haar vierde te zijn toegewezen aan een boerenechtpaar in Epse. Hij komt door zijn zoektocht niet alleen dichter bij zijn eigen roots, maar ook bij die van andere Nederlandse families. Het leidt uiteindelijk tot het boek De Bestedeling. “Het verhaal van mijn overgrootmoeder bleek geen uitzondering, maar was onderdeel van een systeem dat diep in onze samenleving was verankerd. Volgens een voorzichtige schatting, onder andere gebaseerd op volkstellingen en de administratie van Bestedelingenhuizen, hebben zeker 500.000 Nederlanders een deel van hun leven als bestedeling doorgebracht,” weet Lanting.

Schrijver Menno Lanting: ‘Kinderen werden soms afzonderlijk in vreemde gezinnen geplaatst. Dit gebeurde ook met arme ouderen en mensen met psychische problemen’

Eenvoudig is de zoektocht naar de geschiedenis van uitbestedelingen niet. Volgens sociaal historicus Evelien Walhout heeft dat niet te maken met het bewust verborgen houden van zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis. “Armenzorg wordt over het algemeen positief beschreven, omdat het ervoor zorgde dat kwetsbaren niet aan hun lot werden overgelaten. De schaduwzijden van dit systeem worden daarom niet tot nauwelijks benoemd.” Lanting gooit het op zijn beurt op schaamte. “Families waren er niet trots op dat ze hun hulpbehoevende bloedverwanten door armoede niet in huis konden nemen. Over dit soort pijnlijke onderwerpen werd vroeger nauwelijks gepraat. Er is veel in de doofpot gestopt.”

Lanting maakt in zijn boek een onderscheid tussen het veilen (waarbij de zorg werd gegund aan de laagste bieder) en uitbesteden (een rechtstreekse plaatsing zonder veiling, tegen een vooraf afgesproken vergoeding door kerk of armenbestuur) van kwetsbaren. Al in de middeleeuwen namen kloosters en kerkelijke instellingen de zorg van hulpbehoevenden op zich en dienden soms als weeshuis. Deze instellingen waren afhankelijk van giften en liefdadigheid. Wanneer ze overvol waren of weinig tot geen geld hadden, werden kinderen, ouderen en mensen met een beperking uitbesteed aan boeren- of stadsgezinnen. Ze kregen daar kost en inwoning in ruil voor werk, bijvoorbeeld op het land of in het huishouden. Dit systeem dat zorg en opvoeding moest bieden, ontaardde volgens de schrijver soms in uitbuiting en verwaarlozing. “Deze mensen werden vaak als goedkope arbeidskrachten gezien. Wanneer een kostgever bijvoorbeeld in het voorjaar een bestedeling in huis haalde, kon daar in de drukke oogstmaanden van worden geprofiteerd. Van de duizend gezinnen waar kinderen werden geplaatst, werd er misschien één uit liefde opgenomen. Bij 999 gezinnen was eigenbelang de belangrijkste of enige reden om vreemden in huis te nemen.”

Sociaal historicus Marco van Leeuwen, gespecialiseerd in armenzorg, merkt op dat bestedelingen geen slaven of horigen – onvrije boeren – waren. “Uitbesteding is geen mensenhandel, maar een vorm van goedkope verzorging. Al kunnen we niet ontkennen dat dit soms onder vervelende omstandigheden gebeurde.”

Menno Lanting is schrijver, onderzoeker en spreker. Met het boek De Bestedeling keert hij terug naar zijn eigen familiegeschiedenis en vertelt hij het verhaal van het veilen en uitbesteden van kinderen, ouderen en kwetsbaren.

Tentoongesteld

Mensen die in de kost moesten, werden volgens Lanting soms op een publieke plaats – zoals een herberg of dorpsplein – tentoongesteld aan kandidaat-kostgevers. “Soms werden ze ook aangeraakt voordat er op ze werd geboden. Want was die jongen wel sterk genoeg om op het land te kunnen werken? Kon dat meisje het huishouden runnen? En hoeveel jaar had die oude man nog te gaan?” De kandidaat-kostgever noemde vervolgens de prijs waartegen hij iemand wilde verzorgen. Als er meer geïnteresseerden waren, dan moest hij zijn prijs verlagen. “Op deze manier hoefde de kerk of andere instelling zo min mogelijk geld te betalen voor het in kost laten nemen. Broers en zussen werden bovendien ook niet altijd samen geplaatst. Het was dus niet alleen een vorm van ‘zorg’, maar ook een economisch systeem waarbij armoede ervoor zorgde dat zowel de ‘begunstigde’ als de kostgever afhankelijk werd van deze regeling.” 

Geld was volgens Walhout niet de enige drijfveer van kerken of weeshuizen om mensen tegen betaling in gezinnen op te laten nemen. “Deze instellingen waren zich er toen al van bewust dat kinderen beter in een gezin konden opgroeien dan binnen de muren van bijvoorbeeld een weeshuis, waar ze minder liefde en aandacht kregen dan bij mensen thuis.”

Rechteloos waren de bestedelingen overigens niet. Zij werden op een aantal voorwaarden uitbesteed: de kostgever moest voor eten en kleding zorgen. Vanaf de 17de eeuw had een kind ook recht op onderwijs. Overleed een kind tijdens de opvangperiode, dan betaalde de kerk of andere instelling alleen nog voor de lopende maand. 

Mensen die in de kost moesten, werden soms op een publieke plaats - zoals een herberg of dorpsplein - tentoongesteld aan kandidaat-kostgevers.

Toewijzers hadden ook het recht een bestedeling terug te nemen en – op kosten van de oorspronkelijke verzorger – bij iemand anders te plaatsen, als de afspraken niet werden nageleefd. In sommige dorpen of huishoudens werden bestedelingen niet ondergebracht, omdat de levensomstandigheden te beroerd waren, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van ongedierte of het gebrek aan een fatsoenlijke slaapplek.
Toch waren deze voorwaarden vooral voor de bühne, zegt Lanting. “Er vond niet altijd controle plaats. Daarnaast was het woord kleding een ruim begrip. Soms kregen bestedelingen alleen een broek aan.” Als een andere kostgever na verloop van tijd bij de kerk of weeshuis aanklopte en de bestedeling voor minder geld in huis wilde halen, werd deze vervolgens weer doorgeplaatst. “Hierdoor werden kinderen soms meerdere keren gerouleerd,” vervolgt Lanting.

Verwoede pogingen van de overheid om armenzorg te centraliseren liepen in die tijd aanvankelijk stuk. Kerken waren bang voor het verlies van (financiële) onafhankelijkheid. Het zou geen staatstaak, maar een christenplicht moeten zijn. Toch komt de armenzorg in de 18de en 19de eeuw meer in handen van stedelijke overheden. Weeshuizen worden professioneler georganiseerd, maar blijven streng en sober. Wanneer kinderen aan gezinnen buiten de stad worden uitbesteed, vindt controle plaats door een weesmeester of regent. In 1848 wordt armenzorg tot staatszorg verklaard en de Armenwet van 1854 verbiedt armenzorg voor mensen die geholpen kunnen worden door familie, de kerk of liefdadigheid. Het burgerlijk armenbestuur mocht pas helpen als de kerk geen geld gaf. De kerkelijke armenzorg bleek in de praktijk ontoereikend, waardoor Nederlanders vanaf 1912 naast een kerkelijke fooi ook een (klein) bedrag van de burgerlijke armenzorg mocht ontvangen. Volgens verschillende wetenschappers leefden rond 1850 bijna een kwart van de Nederlanders in extreme armoede. De industriële revolutie leidt uiteindelijk tot groeiende kritiek op kinderarbeid. Kinderwetjes, zoals het Nederlandse Kinderwetje van Van Houten (1874), beperkten de arbeid van jonge kinderen. Hierdoor werd fabriekswerk voor kinderen onder de twaalf jaar verboden, al is hier soms gebrekkige controle op. Ook werd tijdens oogsttijd nog een oogje toegeknepen, en werden kinderen soms van school gehouden om op het land te werken. 

In twee jaar tijd legde Menno Lanting het systeem van uitbestedelingen bloot.

Mishandeling of verwaarlozing

Kinderarbeid verdwijnt pas helemaal in de 20de eeuw. De leerplicht wordt ingevoerd en het onderwijs wordt toegankelijk voor iedereen. Er wordt bovendien steeds meer gepleit voor pleegzorg als gezondere vorm van opvang van (wees)kinderen. Daarnaast komt er meer toezicht op uitbestedingen en pleeggezinnen, met inspecties en verslagen. Weeshuizen worden wel nog tot ver in de 20ste eeuw geleid door kerkelijke organisaties. Pas in de tweede heft van de 20ste eeuw wordt pleegzorg geprofessionaliseerd. Ook gaan overheden steeds meer een rol spelen in toezicht en begeleiding van jeugdzorg, met wetgeving over kinderbescherming, opvoedingsrecht en gezag. Landen van de Volkenbond (nu  de Verenigde Naties) tekenen op 28 februari 1924 het eerste officiële kinderrechtendocument in Genève, waarin onder andere het recht op voedsel, gezondheidszorg en bescherming tegen uitbuiting staat. Op 20 november 1959 wordt de Verklaring van de Rechten van het Kind aangenomen, die de basis legt voor het Kinderverdrag in 1989. Hierin staan principes als recht op naam en nationaliteit, sociale zekerheid, gezondheidszorg, ouderlijke zorg, onderwijs en bescherming tegen mishandeling, uitbuiting en kinderarbeid. In 1956 gaat ook de Adoptiewet in, waarmee adoptie als wettelijke kinderbeschermingsmaatregel is gelegaliseerd.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt er in Nederland een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid opgebouwd, waarmee ook het (legaal) uitbesteden van mensen aan banden wordt gelegd. Door de invoering van algemene ouderdomspensioenen met de AOW in 1957, en later de invoering van de WAO in 1967 – wat de groei van sociale zekerheid en zorguitgaven markeerde – kwam er een uitgebreide verzorgingsstaat. Ook komt er steeds meer aandacht voor verschillende misstanden rondom het veilen en uitbesteden van mensen en de ontstane trauma’s, zoals hechtingsstoornissen en meer. Zo kreeg de Veendamse opa van de 76-jarige An Klinges een afkeer tegen boeren, nadat hij door zijn kostnemer werd mishandeld door gebrandmerkt te worden. De Veendammer verloor zijn ouders in 1892 tijdens een epidemie en werd ondergebracht bij een oom en tante. Maar toen hij op een dag thuiskwam van de Franse school, was er geen thuis meer. Zijn oom en tante waren zonder enig bericht geëmigreerd naar Utah, waarop de kinderbescherming hem bij een boer in het Noord-Hollandse Pekela plaatste.

‘De boer hield opa een gloeiendhete tang voor en beval hem die vast te pakken. Nu ben je van mij, zei hij, nadat opa zich had gebrand’

“De boer hield hem een keer een gloeiendhete tang voor en beval hem die vast te pakken. Nu ben je van mij, zei hij, nadat opa zich had gebrand. Alsof hij een stuk vee was,” vertelt Klinges. “De littekens op zijn hand bleven als stille stempels van bezit. In Pekela leerde hij dat zwijgen sneller geneest dan tegenspreken, en dat gehoorzaamheid soms het enige slot op een open deur is. ’s Avonds, bij het licht van de petroleumlamp, stal hij woorden uit oude kranten en leerde zichzelf opnieuw te beginnen. Je hoort niemand toe, zei hij later tegen zijn kinderen, je hoort jezelf toe. Sindsdien proefde hij melk, maar nooit de macht van de man die hem brandmerkte; hij koos voortaan zijn eigen vuur.”

Vergelijken met nu

Maar kun je wel met de bril van nu naar het verleden kijken? Lanting vindt van niet. “Het was een hele andere tijdsgeest, waar mensen in armoede leefden. Ook als je niet werd uitbesteed of geveild, was het leven rauw. Weeskinderen zouden anders op straat leven en in de criminaliteit terechtkomen. Kerken en weeshuizen vonden toentertijd dat ze een goede daad verrichten.” Historicus Walhout sluit zich hierbij aan. “Natuurlijk moeten we blij zijn dat we niet in die tijd zijn geboren, we leven in een welvarend land en behoren tot de rijkste landen in de Europese Unie en de wereld. Toch denk ik dat kerken en andere instellingen toen met de juiste intenties hebben gehandeld. De ontwikkeling van de armenzorg heeft ons de verzorgingsstaat van nu gebracht, waar iedere Nederlander recht heeft op een bestaansminimum. En daar mogen we trots op zijn.”

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct