Iedere dag het nieuws dat echte mannen interesseert
Premium

Boris' missie na 7 weken comedycursus: 8 minuten grappig zijn

Een zevenweekse cursus stand-upcomedy leek Panorama’s Boris van Zonneveld wel een prima avontuur. Tot vlak voor de eindshow de zenuwen genadeloos toesloegen...

Panorama’s Boris van Zonneveld

Het is woensdagmiddag, halfdrie. Over vierenhalf uur verzamelen we in de Comedyhuis Club in Utrecht. Over pak ’m beet zes uur sta ik op het podium. Voor een volle zaal. Met één microfoon, één spotlight en één missie: acht minuten lang grappig zijn. Op dit exacte moment voelt dat als een onmogelijker opgave dan in je eentje de wereldvrede in zowel Oekraïne als Israël bewerkstelligen.

Mijn maag is een kluwen van zenuwen. In mijn hoofd loop ik vast. Mijn mond is zo droog als de humor die ik probeer te brengen. Het opwindende gevoel van zeven weken geleden – ‘leuk, een cursus stand-up comedy, avontuur!’ – is verdampt en heeft plaatsgemaakt voor een loodzware, aan doodsangst grenzende onrust. De vraag is niet langer óf ik ga sterven op dat podium, maar hoe pijnlijk het zal zijn. Want de comedydood, zo schreef Steve Martin al in zijn memoires Born Standing Up, is erger dan de echte dood. 

Op mijn bureau ligt een A4’tje met mijn routine. Acht minuten tekst, uitgetikt, verfijnd, minstens tien keer herschreven. Ik heb het gisteravond geprobeerd uit mijn hoofd te leren met de Loci-methode, een geheugentechniek uit het oude Griekenland. Het idee is dat je een mentaal ‘paleis’ bouwt en je tekst aan objecten in de kamers koppelt. Mijn paleis stortte na de tweede zin al in. De Grieken hadden dan ook geen last van de beklemmende gedachte aan een zaal vol mensen die betaald hebben om een avondje te lachen.

Nu is de zaal nog leeg.

Dus vanavond gooi ik het over een andere boeg. Ik hou het papiertje erbij. Maar een comedian die zijn tekst voorleest, is als een piloot die tijdens de vlucht de handleiding van de Boeing doorbladert. Het wekt geen vertrouwen. Op mijn papiertje staat dan ook iets anders: dertig affirmaties. Levensreddende mantra’s om een totale black-out te voorkomen en die ik zal voorlezen aan de zaal. Een comedian die zijn eigen support-act is via een spiekbriefje vol zelfhulp-clichés. En terwijl ik dit bedenk, voel ik de eerste ‘echte’ lach van de dag opborrelen. Een ironische, bijna gulle lach. Misschien is dit het. Misschien is dit comedy.

Vreemdelingenlegioen 

Zeven weken eerder, op een maandagavond in Utrecht. De navigatie leidt me naar een desolaat industrieterrein, het soort plek waar je verwacht dat er ’s nachts dingen worden overgeladen die het daglicht niet kunnen verdragen. Gratis parkeren, dat dan weer wel. 

Ik stap een anoniem kantoorpand binnen dat zijn beste tijd ergens in 1992 heeft gehad. Op de balie ligt een dikke stapel ongeopende blauwe enveloppen en aanmaningen van het CJIB. De stille getuigenis van, op zijn minst, falend ondernemerschap. Op de benedenverdieping houdt een groep ‘jongeren’ van Noord-Afrikaanse komaf kantoor. Ze kijken er voetbal en zitten achter laptops. Een goedkope plek voor hun activiteiten, blijkbaar. 

Boris (r) en Niels voor de show.

Ik zoek de trap. Ik moet op de uitgestorven eerste verdieping zijn. In een tl-verlicht lokaal, dat overdag hopelijk dienstdoet als vergaderruimte voor een bedrijf, zit een bont gezelschap. Zes mannen, twee vrouwen, eind twintig tot midden veertig. Sjoerd, Vivian, Remy, Guido, Bran, Sam, Niels en ik. De een spotter van tv-opnames, de ander opleidingscoördinator bij een school, een ander activiteitenbegeleider in een bejaardenhuis. Allemaal met dezelfde gespannen blik in de ogen. We zijn het vreemdelingenlegioen van de humor, op zoek naar iets wat we niet precies kunnen benoemen. Geldingsdrang? Een vinkje op de bucketlist? Of gewoon een aanleiding om uit je comfortzone te treden?

Dit is de zevenweekse cursus van het Utrecht International Comedy Festival, het vlaggenschip van de Nederlandse comedy-opleidingen. Zeven weken lang, één avond per week van zeven tot tien uur, ondergedompeld worden in de wereld van de stand-up. Het doel: van ons echte comedians maken. Onze gids voor de eerste vijf weken is Lambert-Jan Koops. Een nuchtere verschijning met een droge, bijna laconieke uitstraling.

Mijn maag is een kluwen van zenuwen. In mijn hoofd loop ik vast. Mijn mond is zo droog als de humor die ik probeer te brengen

“De beste grappen komen tot stand onder de meest desolate omstandigheden,” zegt hij, doelend op de plek waar we zitten. Zijn bio leest als een script van Jiskefet. Geboren in Hoorn, opgegroeid in Dedemsvaart, en de twee belangrijkste dingen in zijn leven toen: drugs en dammen. Hij won in 2003 de Culture Comedy Award. De man die een sleutelroman schreef over zijn helse tijd met Javier Guzman – hij was redactielid bij diens kortdurende talkshow - gaat ons nu de techniek van de lach bijbrengen. Het voelt volkomen logisch.

Genadeloze praktijk

Lambert-Jan is zakelijk leider van het Utrecht International Comedy Festival en medehuisbaas van het Comedyhuis. Zijn stijl is die van een geduldige, lichtelijk verveelde professor. Hij ontleedt de grap met de precisie van een forensisch patholoog. “Een grap bestaat uit twee delen: de setup en de punchline. De setup creëert een verwachting. De punchline doorbreekt die verwachting op een verrassende manier.” Het klinkt als een damzet. Een logische opbouw, gevolgd door een onverwachte, allesbeslissende zet. Comedy is geen magie, het is wiskunde. Het is een ambacht. En wij zijn de leerlingen.

De voltallige comedygroep is er klaar voor. Tweede van rechts: Pano’s Boris van Zonneveld.

De eerste opdracht is meteen raak. We moeten onszelf voorstellen aan de groep. Niet zomaar, maar via een voorbereide opdracht. Huiswerk les 1: ‘Schrijf in 200 woorden een biografie over jezelf.’ Zorg dat je daarin ook twee eigenaardige eigenschappen van jezelf beschrijft. Jezelf voorstellen is één ding, jezelf verkopen als potentieel grappig materiaal is een tweede.

Ik vertel over mijn trauma van dertien jaar Vrije School waar euritmie verplicht was, een soort ballet. Vreselijk. En over mijn nauwgezetheid bij het onderzoeken van nieuwe aankopen. “Een nieuw matras nodig? Ik verzuip wekenlang in specificaties over de dichtheid van het traagschuim tot het aantal pocketveren, tot ik de aankoop kan onderbouwen als in een wetenschappelijke publicatie.” Er wordt gegniffeld. Een voorzichtige lach. Vooral de Vrije School landt. Ongemakkelijke ervaringen zijn blijkbaar een goede voedingsbodem voor humor.

Sam en Guido nemen hun teksten nog even door.

De weken die volgen zijn een snelkookpan van theorie en praktijk. We leren over de callback en de hyperbool, maar de theorie is niets zonder de praktijk. En de praktijk is genadeloos. Elke week moeten we opstaan en iets leveren. De tweede opdracht is een klassieker: graven in je eigen ellende. Huiswerk les 2: ‘Vertel over een gênante situatie waarin jij ooit hebt verkeerd.’ Dit is koren op mijn Vrije School-molen. Ik weet precies wat ik ga oprakelen. Ik pak het podium, nu iets zelfverzekerder, en begin mijn verhaal.

Comedy is veel meer dan toevallig grappig zijn. Het is een ambacht, een vaardigheid die je kunt leren

De wip-whiplash

Een whiplash opgelopen op schoolkamp op de wip, behandeld door een ‘ritmisch fysiotherapeut’ van een antroposofisch gezondheidscentrum. “Hij pakt mijn linkerbeen vast, terwijl mijn nek kapot is,” zeg ik. “Ik denk: gast, je zit niet naast de zere plek – je zit verdomme op een ander continent. Maar het is antroposofie! Hun medicijnen worden tot een quadriljardduizend keer verdund. Blijkbaar geldt dat ook voor fysiotherapie: hoe verder je van de zere plek af zit, hoe effectiever de behandeling. Uiteindelijk had ik er niks aan, maar ik had wél de zachtste kuiten… van de hele Vrije School.”

De groep lacht. Een echte, onvervalste lach. De les van Lambert-Jan landt. Dit gevoel – de controle, de timing, de reactie – is lekker.

Ook in comedy geldt: schrijven is schrappen.

Week na week worden we ondergedompeld in de mechanica van de humor. We moeten een paar minuten doen van een bekende cabaretier – ik doe de badmeester-scène van Hans Teeuwen: “Ik zou wel badmeester willen zijn! Met een mooi wit pak en een fluit. En dan de hele dag op zo’n hoge stoel zitten wachten tot er iemand verdrinkt.” Lambert-Jan leert ons dat comedy veel meer is dan toevallig grappig zijn. Het is een ambacht, een vaardigheid die je kunt leren. “Irritatie is goud waard,” doceert hij. “Zoek naar dingen die je fascineren, irriteren of verbazen. Dat zijn de beste bronnen voor comedy.” 

Master of ceremony Patrick Meijer.

Voor een huiswerkopdracht moeten we nieuwsberichten analyseren en er tien opmerkingen bij bedenken. Ik kies het verhaal van iemand die de stroomkabel van een flitspaal doorknipte, maar de flitser blijft gewoon werken dankzij zonnepanelen. “De flitspaal is de ultieme eindbaas,” schrijf ik. “Je knipt de stroomkabel door en hij kijkt je aan en zegt: ‘Leuk geprobeerd, amateur. Ik draai op pure haat en zonne-energie.’” Dit is het proces. Kijken, ontleden, overdrijven. Van een droog nieuwsbericht naar een set-up met een punchline.

Verongelijkte burger

Na vijf weken theorie krijgen we een nieuwe docent voor de eindfase. Patrick Meijer, de voormalig stadscomedian van Utrecht. Een twee meter lange, slungelachtige geboren Tukker, heel laid back, maar kritisch. Waar Lambert-Jan de patholoog was die de grap ontleedde, is Patrick de doorgewinterde veteraan die op gevoel vaart. Als hij iets heeft gezien wat hij niet zo grappig vindt, begint hij met: “Leuk, leuk, leuk…” – het comedy-equivalent van ‘we moeten praten’ – gevolgd door een genadeloze, maar eerlijke analyse.

Patrick is, naar eigen zeggen, de Arnold Bruggink van de comedy: technisch begaafd, maar met het hart op de tong. Hij speelt al jaren. Op zijn 30ste werd hij ontdekt bij de legendarische Comedytrain. Deze man, gehard in het vuur van de Amsterdamse comedy-elite, is ook de MC van onze eindshow. Zijn taak is het om ons de laatste meters over de finish te sleuren. En dat begint bij het materiaal. We moeten een routine van acht minuten schrijven. Acht minuten. Het klinkt als niets, maar op het podium is het een eeuwigheid. 

Sam werpt nog een laatste blik op zijn tekst.

Ik duik in mijn notities. Al jaren hou ik dingen bij waar ik ooit nog iets mee wilde doen op cabaretgebied. Het Van der Valk-hotel is er een van. “Het logo. Een toekan. Waarom in hemelsnaam een toekan? Je heet Van der Valk. Het is alsof een slagerij een krop sla als logo heeft.” We beginnen met drie minuten. Ik speel mijn set. Ik probeer de verongelijkte burger te spelen, maar het voelt niet lekker. Het is geforceerd. Patrick kijkt me aan. “Leuk, leuk, leuk...”

O nee… “Fijne onderwerpkeuze, het is niet generiek, daar hou ik van,” zegt hij. “Ik heb alleen het idee dat je je her en der wat vergaloppeert.” Ik moet ‘mijn eigen stem’ zien te vinden.

Teleurstellend dier

De generale repetitie, twee dagen voor de eindshow, vindt plaats in ons sfeerloze, verlopen kantoorgebouw. We zijn verhuisd naar een andere ruimte, een ruimte waar de gaten letterlijk in het systeemplafond vallen. In de keuken staan vuilniszakken die duidelijk al dagen wachten op verlossing. Op de muur hangt een briefje: ‘Wil iedereen ajb de afval meenemen en de keuken schoonhouden? We willen ratten (onderstreept) vermijden!’

We spelen voor elkaar. Zeven gespannen comedians in spe en Patrick, die met een notitieblokje aantekeningen maakt. Mijn rode draad: de totale onbetrouwbaarheid van de dierenwereld. Want als die vogel aan de gevel al een leugen is, wat klopt er dan nog wél? De stap naar het meest teleurstellende dier van de Nederlandse snelweg is dan snel gemaakt: het hert. Die driehoekige borden die je kilometerslang herten beloven, maar nooit leveren. De zinloosheid ervan verbaast me al jaren. 

Guido gaat het gevecht aan.

Ik gooi het qua stijl over een andere boeg. Deadpan. Droog. Vlakke intonatie, weinig variatie in tempo. Meer zoals ik zelf ben. Het versterkt de absurditeit van de grappen over de onbetrouwbare hertenborden en de toekan-theorie, zonder dat het geforceerd overkomt. Maar het hele toekan-gedeelte blijkt in de generale nog een doodse vlakte. De lach komt pas bij de herten.

De paniek slaat toe. Mijn begin werkt niet. Het is dinsdagavond, de avond voor de show. Ik heb een opener nodig die wél werkt. In een vlaag van creatief denken bedenk ik in bed een compleet nieuwe start. Ik comprimeer het toekan-verhaal tot de essentie en gooi de rest overboord. In de plaats komt de meta-grap: het papiertje met affirmaties. Het voelt als een gok. Een alles-of-niets-zet. 

Geen weg terug

Het is zover. Ik sta backstage in de Comedyhuis Club. De lucht is dik van de spanning, angstzweet en de geur van verschaald bier. Ik hoor het geroezemoes van de mensen achter de nog gesloten zaaldeur. Een uitverkocht huis. Patrick Meijer, onze MC, opent op het podium. Hij warmt de zaal op met de vanzelfsprekendheid van een man die zijn veters strikt.

Dan hoor ik mijn naam. Applaus. Ik voel niks. Ik loop het podium op, verblind door de spotlights

Ik ben als derde, voor de pauze. Dan heb ik het maar gehad. Dan hoor ik mijn naam. Applaus. Ik voel niks. Ik loop het podium op, verblind door de spotlights, die recht van boven in mijn ogen schijnen. Ik zie niet eens de eerste rij. Het is een donker, anoniem gat. Dit is het. Geen weg terug.

Ik laat de microfoon in de standaard. Mijn hand met het papiertje trilt niet eens. Ik adem in. “Goedenavond, ik heb dit nog nooit gedaan, dus mijn doel voor de komende acht minuten is het voorkomen van een totale blackout.” Een eerste, voorzichtige lach. De ijslaag breekt. “Daarom heb ik dit briefje bij, met dertig affirmaties. Affirmatie één…” De zaal lacht harder. Ze zijn aan boord. Ze snappen het spelletje. De spanning zakt. Weer een lach. De meta-grap werkt als een reddingsboei.

Boris heeft de smaak al snel te pakken.

Dan begin ik aan mijn routine. De toekan. De herten. Het slaat aan. De lachgolven worden groter. Ik voel de energie van de zaal. Het is geen vijandig monster meer, maar een warm bad. Ik blijf rustig. De punchlines vallen goed, de tags, extra grappen die je direct na de punchline toevoegt, verlengen de lach. Ik ben niet meer aan het reciteren, ik ben aan het vertellen. Aan het spelen. Ik eindig met een brief aan Rijkswaterstaat, om die leugenachtige borden te verwijderen. Een laatste, stevige lach. “Dankjewel.”

Smaakt naar meer

Het applaus is luid. Oprecht. Ik loop van het podium af, terug naar de donkerte achterin. Ik heb het overleefd. Na mij is de volgende alweer. Een uur later. De show is afgelopen. Iedereen heeft het overleefd. Ik vraag Patrick Meijer ter plekke om feedback. “Het was gewoon heel goed,” zegt hij op zijn kenmerkende, nuchtere toon. “Je hebt je zwakke punt – dat briefje – slim omgezet in een sterk, komisch anker. Dat was slim. Het werkt het best als je dat droge typetje strak blijft spelen. Ga niet pushen voor meer energie.” Zijn advies voor de toekomst? “Spelen, spelen, spelen. Meld je aan voor open podia, kleine wedstrijdjes. Dat is de route.”

Het publiek is goedgemutst.

Even later zit ik aan de bar met een biertje. De spanning is weg en heeft plaatsgemaakt voor voldoening. Er komen wat vreemden naar me toe om te zeggen dat ze gelachen hebben, dat ze het leuk vonden. Dat verbaast me nog het meest: dat mensen het écht leuk vonden. Ik heb het overleefd. Was het de beste set ooit? Absoluut niet. Was ik de nieuwe Theo Maassen? Verre van. Maar ik heb mezelf voor de leeuwen gegooid en ben er zonder kleerscheuren – en met goede lachmomenten – vanaf gekomen. 

Stand-upcomedy, zo leerde ik, gaat niet alleen over grappig zijn. Het gaat over het schrijven van goede grappen. Over het vinden van je stem. Over het omzetten van die loodzware angst voor het podium in lichte energie. En die spanning van die woensdagmiddag? Die was nodig. Het was de brandstof. Want zonder de angst voor de val, is de beloning van het vliegen maar half zo groot. En die beloning smaakt naar meer.

Zelf zien?

Wil je zien hoe Boris het ervan afbracht en of die eerste minuut echt goed begon? Op zijn Instagram heeft hij wat filmpjes van zijn optreden gezet: instagram.com/borisvanzonneveld

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Panorama thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Lifestyle
  • Panorama 46
  • Ivo van der Bent