MISDAADCOLUMN: Camera’s, mobiele data of DNA - het zijn geen hulpmiddelen meer, maar stille getuigen
Elke week schrijft misdaadverslaggever Henk Strootman een column over wat hem opvalt in de crimewereld. Deze week: hulpmiddelen vs. privacy in misdaadonderzoeken.
Tussen het lezen van hoogstaande Russische literatuur en bezoekjes aan Eksperimenteel Tejater door wil mijn lagere ziel zich nog weleens verliezen in een aflevering The First 48 Hours op Crime & Investigation. In dat programma volgen we de eerste, vaak beslissende uren van een moordonderzoek in de Verenigde Staten. Rechercheurs met bodycams, familieleden die huilend op straat staan. Alles is zichtbaar: namen, gezichten, straten, zelfs de voordeur van het slachtoffer. Alleen bloedsporen worden gecensureerd.
In Nederland zie ik dat nog niet zo snel gebeuren op tv. Hier wordt een straatnaam nog geblurd en een huisnummer weggepoetst. Want privacy, meneer. Persoonlijke levenssfeer, mevrouw. Intussen zet bijna heel Nederland zijn halve hebben en houwen vrijwillig op sociale media: de nieuwe keuken, de kinderen in badpak, de cocktail op Ibiza. Daarmee houden we met z’n allen de grootste databank ter wereld keurig op peil. Maar zodra de gemeente een camera ophangt bij een station, is het land te klein.
Wat me in The First 48 Hours ook opvalt, is dat er bijna geen zaak wordt opgelost zónder de inzet van camera’s, mobiele data of DNA. Het zijn geen hulpmiddelen meer, maar stille getuigen die nooit liegen, nooit een advocaat raadplegen en geen geheugenverlies kennen. Een enkel frame van een bewakingscamera blijkt vaak waardevoller dan een stapel getuigenverklaringen. En hoe beter de techniek, hoe kleiner de kans dat iemand ermee wegkomt.
Een enkel frame van een bewakingscamera blijkt vaak waardevoller dan een stapel getuigenverklaringen
Dat zagen we bijvoorbeeld in de zaak rond de moord op Tjeerd van Seggeren. Het bewijs tegen zijn weduwe kwam niet van een toevallige passant, maar uit haar eigen telefoon. Via de functie Google Timeline in Google Maps wist de recherche tot op twaalf meter nauwkeurig te reconstrueren waar zij en haar man zich op de fatale avond bevonden. Rond kwart voor één stonden hun telefoons op 24 meter afstand van elkaar, precies in de buurt waar hij later werd gevonden. Zonder die digitale sporen was het gissen gebleven. Privacy-critici noemen dat beangstigend, maar voor de nabestaanden van een slachtoffer is het vaak de enige manier om ooit te weten wat er werkelijk is gebeurd.
Ik zie dat als een zegen. Net zoals de particuliere DNA-banken in Amerika veel hebben betekend voor de opsporing. Daarmee zijn talloze cold cases opgelost en onbekende slachtoffers eindelijk geïdentificeerd. Mensen die jarenlang alleen een nummer waren, kregen hun naam terug. Soms dankzij een verre achterneef die zijn speeksel opstuurde voor een stamboomonderzoek.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F11%2FBwGpPjpJxnQ1oO1763463361.png)
In Nederland kijken we daar nog altijd wat krampachtig naar. Want ja, privacy. Alsof een moordenaar zich daar ook maar één seconde druk over maakt. We hebben camera’s boven de snelwegen, maar we mogen niet zien wie er rijdt. We hebben DNA in overvloed, maar we mogen het niet vergelijken. En ondertussen vragen we ons af waarom er zoveel zaken blijven liggen. Zonder die camera’s boven de A2 en A4 waren de moordenaars van Peter R. de Vries nooit zo snel opgepakt. Die beelden waren doorslaggevend, niet dankzij toeval, maar dankzij techniek.
Daarom zeg ik: hang ze op, die camera’s. In uitgaansgebieden, bij stations, op donkere parkeerplaatsen en schimmige perrons. Richt de lenzen op de plekken waar het licht het hardst nodig is. Wie daar moeite mee heeft, moet zijn geweten maar eens onder de loep leggen. We leven in een land waar mensen hun leven tot op de laatste vakantie-selfie delen, maar steigeren zodra de politie meekijkt. Dat heet geen privacy. Dat heet hypocrisie.
En dus blijf ik kijken naar The First 48 Hours, omdat het laat zien hoe opsporing hoort te werken: open, scherp, zonder geneuzel over protocollen en pixels. Techniek die niet hindert, maar helpt. En als dat betekent dat ik voortaan op elk kruispunt in beeld kom, dan is dat maar zo. Ik heb niets te verbergen.
- Panorama 47