Iedere dag het nieuws dat echte mannen interesseert

Week van Toen: Elke trainer kan een beetje Korbach gebruiken (1998)

Elke week poetsen we een pareltje op uit het rijke archief van Panorama (anno 1913). Deze week, uit editie 45, 1998: ‘We hebben allemaal iets van dieren in ons’

Week van Toen

Als we zo’n Johnny Heitinga op de bank van Ajax zien zitten, volledig gevangen in dat trainerskeurslijf, zonder humor, vol argwaan en achter elke boom een vijand zien, dan denken we met weemoed terug aan de tijd dat trainers nog kleurrijk en onbevangen waren. Paradijsvogels langs de lijn die de baas waren over zichzelf, hun spelers, hun clubs én de media. Humorvolle culttrainers als Barry Hughes, Bert Jacobs, Simon Kistemaker en vooral ook Fritz Korbach. 

Onlangs vertelde René van der Gijp, die begin jaren negentig onder Korbach bij Heerenveen speelde, nog een grappige anekdote over de markante oefenmeester die in 2011 overleed. Over die keer dat Korbach een straftraining voor zijn ploeg had gepland, maar zelf ook meedeed. “Maar hij nam wel eerst doping voor die duurloop in het bos!” lachte Gijp. “En maar rennen, 45 minuten lang voorop!” 

Korbach, die zijn cultstatus verwierf door niet alleen onorthodox met spelers en media om te gaan, maar ook met zichzelf – in zijn drang naar zelfdestructie greep hij regelmatig naar de fles – was ook geliefd bij ons, omdat een ontmoeting met hem altijd in een klompje goud veranderde. Zo ook die keer in 1998 dat hij met onze Mooie Martha (Wesenhagen) het bad indook.

‘Als je geen humor hebt, ben je een triest mens. Dat kun je van mij niet zeggen’

Fritz Korbach in 1998

Martha merkte maar meteen op dat Korbach ‘mooie tepels’ had. “Ik zou zeggen: duw effe die kuit er stevig tegenaan en laat er morgen een gipsafdrukkie van maken dan,” zei Korbach. Want meer zat er voor Martha ook niet in hoewel ze naakt in bad zaten: “Als je nu tegen me zegt: Gozer, Korbach, zet je bril af, droog je goed af, dan gaan we een vreselijke partij liggen douwen, dan zeg ik: Lieve schat, nee!” 

Natuurlijk was hij geen heilig boontje, maar wie in de voetballerij was dat wel? “Je komt altijd wel iemand tegen die je tegen het plafond wil gooien, toch?” Martha speelde de vermoorde onschuld. “Kom op, Martha!” foeterde Korbach. “Jij loopt toch ook weleens tegen iemand aan? (...) Als levende wezens hebben we allemaal iets van de dieren in ons. Dat is toch gewoon zo?”

Hij zei het maar zoals het was, zoals hij ook als trainer nooit een blad voor de mond nam. Aan Algemeen Beschaafd Nederlands deed hij niet, dat maakte hem ook zo geliefd: “Iedereen mag daar commentaar op hebben, maar ik geef daar geen reet om. Als we het vandaag niet goed gedaan hebben met z’n allen, dan zeg ik niet: Lieve schatten, helaas moet ik jullie mededelen dat... Maar dan is het: Godverdomme, sodemieter effe op zeg! Daar hoeven we toch geen vijanden door te worden?” Gelukkig loste hij veel op met humor. Want, zo zei hij: “Als je geen humor hebt, ben je een triest mens. En dat kun je van mij niet zeggen. Net zomin als dat ik van huis uit geen geile gozer zou zijn.” 

Heerlijk, zulke trainers. Helaas zijn ze al bijna allemaal uitgestorven. Of niet, Johnny?