Henk Strootman
Misdaad

MISDAADCOLUMN: Het slachtoffer als publiek bezit

Elke week schrijft misdaadverslaggever Henk Strootman een column over wat hem opvalt in de crimewereld. Deze week: de moord op Lisa uit Abcoude.

Henk Strootman
3 minuten

Lisa heet ze, zo weten we sinds kort. 17 jaar jong, woonachtig in Abcoude. Vermoord op een stil fietspad in Duivendrecht, na een avondje stappen op het Leidseplein. Bij het verschijnen van deze column zal er ongetwijfeld meer bekend zijn. De recherche zet alles op alles, dus misschien is de dader al gepakt. En wie weet blijkt dan dat hij ook verantwoordelijk is voor dat andere misdrijf, een paar kilometer verderop aan de Weespertrekvaart, waar een vrouw ’s nachts van haar fiets werd getrokken en slachtoffer werd van ‘ernstig seksueel geweld’. Ook de achternaam van Lisa zal deze week wel opduiken. Waar ze op school zat, welke kroegen ze die avond had bezocht, wat haar dromen en plannen waren.

Ik heb in mijn loopbaan over tientallen moorden en vermissingen geschreven. Maar je went er nooit aan. Integendeel. Al die vermoorde of verdwenen jongens en meisjes – Andrea, Nicole, Remco, Germa, Nadia, Christel, Petertje, Wilma en zovelen meer – zijn een deel van mijn leven geworden. Het is alsof ik ze ken. Alsof ze bij me horen. Ik ken hun verleden, hun vrienden, hun familie. Ik ken de blik in hun ogen, de droom die ruw werd afgebroken. En nu dus Lisa. Haar naam zal nog vaak in het nieuws terugkomen. Zeker als het onderzoek niet wil vlotten. Er zal een foto opduiken, een glimlach, de blik van een meisje dat nog een leven voor zich had. En dan komt het ongemakkelijke: moordslachtoffers worden bijna automatisch ‘publiek bezit’.

Dat publieke bezit is een vreemd en wrang fenomeen, maar ook onvermijdelijk. De familie van de vermoorde stewardess Christel Ambrosius heeft zich er ooit – begrijpelijk – fel tegen verzet: het gevoel dat je dierbare niet meer alleen van jou is, maar van heel Nederland. Kranten, talkshows, journaals; allemaal eigenen ze zich het beeld toe van je kind, je zus, je vriendin. Alsof je zelf nauwelijks nog iets in te brengen hebt. Soms lopen rouw en nieuwsgierigheid door elkaar, zonder dat iemand vraagt of je dat wilt. Wat voor de journalist een foto of een citaat is, kan voor ouders een nieuwe, onverwachte klap zijn.

Kranten, talkshows, journaals; allemaal eigenen ze zich het beeld toe van je kind, je zus, je vriendin. Alsof je zelf nauwelijks nog iets in te brengen hebt

Het is een dilemma dat steeds vaker bij me terugkomt. Want niet schrijven over weerzinwekkende misdrijven is óók geen optie. Dat zou betekenen dat we het gewoon zijn gaan vinden, zoals in landen als Mexico niet meer op een moord meer of minder wordt gekeken. Dat neemt niet weg dat ik me soms medeschuldig voel, omdat mijn woorden meehelpen om iemands verdriet publiek te maken. Toch houd ik mezelf voor dat mijn werk ook kan helpen. Dat er zaken zijn opgelost juist omdat erover is geschreven. 

Toch is het niet de dader die dezer dagen door mijn hoofd spookt. Het zijn de nabestaanden. Ouders die dat ontwrichtende en alles veranderende telefoontje hebben gekregen. Want wat Lisa is overkomen, refereert aan de angst van alle ouders. Het schrikbeeld van je kind dat ’s nachts alleen naar huis fietst. Het pas gerust zijn als je de sleutel in het slot hoort, de opluchting als de voordeur eindelijk dichtslaat. Meestal gaat het ook gewoon goed. Een enkele keer niet. En voor sommigen wordt die angst de rest van hun leven harde waarheid.

Alsof dat niet al ondraaglijk genoeg is, komt daar de publiciteit nog eens bovenop. Je dochter wordt voorpaginanieuws, je kind wordt besproken aan tafels waar je zelf niet zit. Dezelfde foto’s keer op keer, zonder dat iemand even belt om je voor te bereiden. Alsof je nog niet genoeg gesloopt bent. Misschien is dat de grootste wreedheid naast de misdaad zelf: het verlies is van jou, maar de rouw wordt publiek.