Edwin Struis
Op de dag dat de stekker uit het profbestaan van Vitesse werd getrokken, werd me in het radioprogramma Met het oog op morgen gevraagd of ik nog goede raad had voor supporters van de Arnhemse club die nu, net als wij uit Haarlem vijftien jaar eerder, verder moeten zonder hun geliefde club. Tja, lastig. Want het is ook niet niks. Als je lief en – vooral – leed hebt gedeeld met – in mijn geval – de Roodblauwe Leeuwen is het bijna niet voor te stellen wat de verdwijning aanricht onder de fans.
En dan heb ik het over het ‘normale’ deel van de supporters, niet degenen die in de uren na de rechterlijke uitspraak amok maakten op de Korenmarkt en journalisten belaagden. Dus over normaal denkende figuren, niet over eencelligen. Want ja, het is vreselijk. Ook vijftien jaar na dato mis ik HFC Haarlem nog steeds enorm, al die popiejopieverhalen over buurman Telstar dat zowaar weer eens in de eredivisie acteert, roepen gevoelens van jaloezie en onmacht op. Zij wel, wij nooit meer. Nog steeds mis ik als ik de uitslagen doorneem van de eerste divisie de naam van HFC Haarlem in dat rijtje, terwijl ik clubs tegenkom als Top Oss, Emmen en Almere City United Town FC. Nietszeggende namen die het Nederlandse voetbal verre van verrijkt hebben.
Kijk, bij Vitesse hebben ze er natuurlijk een zooitje van gemaakt, ooit ingezet door de megalomane luchtkasteelheer Karel Aalbers en later geperfectioneerd door buitenlandse eigenaren die enkel hart hadden voor de eigen portemonnee, niet voor de club. Ons Haarlem ging ‘gewoon’ failliet door een schuld van 1,8 miljoen euro, waarvoor niemand zich garant stelde. De mix van incompetent bestuur, gebrek aan sponsors/supporters en een ongeïnteresseerde overheid deed hier zijn giftige werk, ook al omdat Haarlemmers nooit warmliepen voor de club, ook niet in de hoogtijdagen.
Van het stadion is inmiddels weinig meer over, slechts een viertal ontmantelde lichtmasten en een wankele hoofdtribune herinneren nog aan het profbestaan. Laatst was ik er toevallig weer eens in de buurt, de aanblik doet pijn aan je ogen, het wordt steeds lastiger om de glorietijd (Europees voetbal, twee keer vierde in de eredivisie, debuut Ruud Gullit) nog op het netvlies te krijgen.
Goede raad voor Vitesse-supporters heb ik eigenlijk niet. Het wegvallen van je geliefde cluppie snijdt door je ziel en boort een flink gat in het in clubkleuren gespoten hart. De pijn slijt, dat wel, maar verdwijnt nooit. Sorry.
Micha Jacobs
Weet je wat ik altijd zo frappant vind? Dat de tranen pas komen als het te laat is. Niet in jouw geval uiteraard: je werd roodblauw geboren en zult over een jaar of dertig ook zo sterven. Nee, ik heb het over iedereen die opeens fan of supporter is als de patiënt al is overleden. Freddie Mercury gaat dood? Queen scoort een nummer 1-hit. Avicii maakt een einde aan zijn leven? Goh, die jongen was écht goed hè. Over de doden niets dan goeds, dat gevoel bekruipt me ook heel erg bij Vitesse. De club is hersendood en opeens vindt iedereen het in Arnhem en omstreken (tot aan de gemeentegrens met Nijmegen uiteraard) het verschrikkelijk dat ‘hun’ club kapot is gemaakt. Te laat. En maar wijzen naar de KNVB die het enige juiste deed: de stekker eruit trekken, de knop uitzetten van de zuurstofpomp omdat de patiënt al heel lang niet meer zelfstandig kan ademen. Stug door blijven roken terwijl de kanker door je longen raast (lees: structureel financieel wanbeleid blijven voeren terwijl je tientallen keren op de vingers bent getikt), dan weet je dat het op een gegeven moment klaar is.
Als elke huilende Vitesse-supporter elke thuiswedstrijd in de Gelredome had gezeten, had de club waarschijnlijk nog geleefd. Maar dat deden ze niet. Hun afwezigheid maakte van die vierkante concertzaal vaker een spookhuis dan een heksenketel. Als elke huilende Vitesse-supporter niet was meegegaan in die grootheidswaanzin van types als Aalbers, Jordania, Schouten en Parry, cowboys die gouden bergen beloofden en die iedereen slikte als zoete koek, was de club niet zo snel de afgrond in gereden. Niet zo snel als nu in ieder geval.
Marcel van Roosmalen schreef ooit een briljante trilogie over ‘zijn’ Vitesse, een droogkomisch drieluik waarvan deel 1 ooit de prijs voor het beste sportboek kreeg. Ja, hij houdt van de club, ja, hij kwam als kind al op Nieuw-Monnikenhuize, het stadion waar Vitesse speelde toen het nog een échte club was en niet verpest door luchtkastelen. Maar hij was er ook als de kippen bij om van de club, de spelers, de supporters, de persvoorlichter, de lokale journalisten en wie er ook betrokken was bij Vitesse een karikatuur te maken. Ik gierde van het lachen als hij beschreef hoe hij de kettingrokende Theo Janssen achter een plantenbak betrapte en ik bewonderde zijn observaties van een profclub die in alles amateuristisch was, knullig tot aan de broodjes kaas aan toe. Maar hij danste daarmee ook op zijn eigen graf als supporter. Ik kan niet wachten op deel 4. En nog gecondoleerd met Haarlem trouwens.