Woensdagochtend 15 april 2020 begint voor Ronald de Graaf (55) uit Ridderkerk zoals elke werkdag. Hij staat om kwart voor zes op, maakt boterhammen klaar met kaas en worst, zet koffie, trekt zijn werkbroek en vest aan. Rond kwart over zes stapt hij de voordeur uit. Het is een frisse ochtend. Ronald loopt richting zijn auto aan de Ringdijk, gelegen in het historische deel van de Zuid-Hollandse gemeente. Het is stil op straat, de meeste bewoners liggen nog op één oor.
Dan hoort hij plotseling iemand roepen: “Meneer!”
De Ridderkerker draait zich om en ziet een man in donkere kleding staan. Capuchon over zijn hoofd, arm gestrekt. In zijn hand een onmiskenbaar vuurwapen. Het glimt in het schemerlicht. Ronald weet direct dat dit geen grap is. “Ik zag meteen: dit is serieus. Geen speelgoed,” zo vertelt hij later in een interview dat ik met hem had voor het RTL-programma Crimedesk van John van den Heuvel en Mick van Wely.
De man haalt drie keer de trekker over. Klik. Klik. Klik. Geen schot, alleen het droge geluid van een mechanisme dat keer op keer weigert. Ronald twijfelt geen seconde. Instinctief duikt hij op de schutter af, grijpt diens arm en ramt hem hard tegen de kaak. “Ik wilde hem overmeesteren en aan de politie overdragen.”
De Graaf probeert de loop van het pistool weg te duwen en werkt de belager tegen zijn auto aan. Maar dan stopt er een zwarte Renault Mégane. Een tweede man springt uit de auto. De schutter rukt zich los en slaat Ronald met het wapen op zijn hoofd. Het bloedt meteen hevig. Ronald voelt hoe het bloed over zijn gezicht stroomt. Toch probeert hij nog in zijn auto te stappen om achter de daders aan te rijden, maar hij ziet niets door het bloed in zijn ogen. Hij moet opgeven.
Ronald twijfelt geen seconde. Instinctief duikt hij op de schutter af, grijpt diens arm en ramt hem hard tegen de kaak
Zenuwachtig
Twee uur later vindt de politie de zwarte Renault terug in Rotterdam-IJsselmonde. Gestolen, zo blijkt. In de kofferbak ligt een jerrycan benzine. Ronald snapt meteen wat dat betekent, daar hoef je geen vaste CSI-kijker voor te zijn. “Dit is zoals het altijd gaat. Na zo’n klus zetten ze de auto in de fik. Alles weg. Geen sporen.”
Daarna gaat alles in een waas. De dagen na de aanslag zijn chaotisch. Ronald heeft zijn hoofd laten hechten en ten behoeve van het rechercheonderzoek foto’s laten maken van zijn verwondingen. De politie neemt zijn bebloede kleding in beslag. “Je bent ineens geen gewone burger meer, maar een slachtoffer. Een die het eigenlijk niet had mogen navertellen.”
’s Nachts ligt hij wakker. “Ik werd gealarmeerd door elk geluid. Een auto die te langzaam voorbijreed, een deur die ergens dichtsloeg. Alles maakte me zenuwachtig.” Zijn vrouw probeert hem gerust te stellen, maar merkt dat hij verandert. Hij praat minder, kijkt vaker naar buiten.
Ronald herinnert zich nog de eerste keer dat hij na de aanslag weer alleen in zijn auto zat, ’s ochtends vroeg. “Ik keek constant in de achteruitkijkspiegel. Elke auto achter me leek verdacht.” Zelfs bij het uitlaten van zijn hond kiest hij bredere en overzichtelijke straten, waar hij niet ingesloten kan worden.
Want Ronald is eigenlijk een man die jarenlang onopvallend zijn leven leidde. Hij werkt al meer dan veertig jaar in de grond-, weg- en waterbouw. Kabels, leidingen, zand, asfalt. Dat is zijn wereld. Ver van de criminaliteit. Het is zwaar werk, maar hij houdt ervan. “Een beetje lullen en poetsen, zo gaat dat in de infra. Niet moeilijk doen, gewoon meters maken,” aldus De Graaf in die dagen na de mislukte liquidatie. “Graafmachines, deadlines en zandwagens. Daar voel ik me thuis.”
Hij woont met zijn vrouw in een dijkwoning. Hun zoon is volwassen en de deur uit, maar komt nog regelmatig langs. Ronald houdt van voetbal, fluit soms een wedstrijd en rijdt graag motor. “Even alles van je afblazen,” noemt hij dat. Op zaterdag begint hij steevast met koffie en het sportkatern van de krant, waarna hij in zijn schuur aan het klussen slaat. “Ik was altijd iemand die dacht: mij overkomt niks,” zegt hij. “Totdat het ineens wél gebeurde.”