Femke Halsema aan het woord. Soms ontkom je daar simpelweg niet aan. Onlangs sprak ze over verwarde personen. Op haar bekende toon: stellig, zorgvuldig, uitgesproken en met weinig ruimte voor tegenspraak. Daar is ze intussen behoorlijk bedreven in. Net zoals ze sombere boodschappen kan brengen met een glimlach. Ook dat is een kunst. Heel even dacht ik dat ze met die verwarde personen haar eigen gemeenteraad bedoelde. Want wie daar wel eens een debat meemaakt, weet dat het daar meestal allesbehalve rustig toegaat. Over Gaza, woningnood, verkeer; het lijkt of ze het nergens over eens worden. Het mondt steevast uit in een kakofonie van verwijten, theatrale speeches en politieke spierballentaal.
Of doelde de burgemeester misschien op de demonstranten die bijna dagelijks – met haar zegen – door de stad trekken? Het demonstratierecht is in Amsterdam heilig. Maar dat krijgt toch een andere lading als je beseft dat de stad inmiddels gemiddeld 1800 demonstraties per jaar telt. Bijna vijf per dag dus. Vijf optochten, spandoeken en leuzen, vaak gebracht door mensen die schreeuwen alsof ze zelf in een oorlogsgebied of dictatuur leven. En die iedereen met een andere mening meteen wegzetten als ‘fascist’ of ‘onderdrukker.’
Maar daar ging het Halsema niet om. Volgens haar groeit in Amsterdam het aantal mensen dat psychisch vastloopt. Er is te weinig ‘bemoeizorg’, zoals ze het noemt, en te veel mensen met ernstige psychiatrische problemen belanden daardoor op straat. Het gevolg: escalaties, soms met dodelijke afloop. Daarom komt er nu een centraal meldpunt voor verward gedrag. Iedereen kan bellen als iemand zich opvallend gedraagt. En daarvan lopen er nogal wat rond in Amsterdam – en niet alleen in het stadhuis.
Achter elk incident zitten echte mensen. Mensen die verdwalen in hun eigen hoofd, en mensen die slachtoffer worden omdat hulp te laat komt
Dat Halsema spreekt over een gebrek aan bemoeizorg is opvallend. In Amsterdam bemoeit namelijk iedereen zich met iedereen. Maar zodra iemand echt in de war raakt of gevaarlijk wordt, blijft het stil. En dat zijn geen uitzonderingen. Vorig jaar waren er zeven moordzaken waarbij mensen met verward gedrag betrokken waren. Zoals Nuri Ö., die zijn onderbuurman doodstak omdat hij dacht dat die via het ventilatierooster zijn gedachten stal. Er waren meldingen genoeg, maar die bleven liggen. Een meldpunt klinkt mooi. Maar in de praktijk betekent het waarschijnlijk een keuzemenu en een paar mensen met headsets. Mensen melden dat hun buurman dagenlang over straat dwaalt of midden in de nacht op zijn balkon staat te schreeuwen. En aan de andere kant zegt iemand: “We zetten het op de lijst. U hoort nog van ons.”
Ondertussen werden er vorig jaar in Amsterdam 229 explosies geteld. Gemiddeld bijna één per anderhalve dag. Soms lijkt de stad het decor van een misdaadserie. Maar met 300 voltijdsagenten te weinig blijft de politie onderbezet. Voor 3000 euro bruto per maand voelt blijkbaar niemand zich geroepen om tussen een doorgedraaide man met een kapmes en zijn slachtoffer te springen. Vanuit Den Haag klinkt inmiddels het vertrouwde geluid: meer woonplekken, betere samenwerking, wijk-ggz. Minister Uitermark erkent dat coördinatie nodig is, maar zegt dat zo’n functie ‘nog nooit heeft bestaan.’ Alsof dat een excuus is om niets te doen. En daar zit precies het probleem: iedereen ziet het, iedereen zegt het, maar niemand lost het op. We hebben rapporten, taskforces, inspecties en straks een meldpunt. Maar ondertussen wachten we op het volgende incident, terwijl iedereen elkaar aankijkt.
Achter elk incident zitten echte mensen. Mensen die verdwalen in hun eigen hoofd, en mensen die slachtoffer worden omdat hulp te laat komt. Polen en Roemenen die hier kwamen voor werk maar verdwaalden in drank en verveling. Het blijft vreemd hoe lang we dit al weten, zonder dat er echt iets verandert. Het meldpunt is er nu. Maar of dat iets uitmaakt, valt te bezien.