Vaste lezers weten het inmiddels wel: ik heb jarenlang bij de politie gewerkt. Mijn stelregel was toen: vooral de aso’s bekeuren. Niet de gewone man die per ongeluk zijn parkeerschijf vergeet, maar types die achteruit over de vluchtstrook rijden omdat ze hun afslag misten. Of die vol gas door rood vliegen en dan beweren dat het oranje was. Vroeger zag ik dat als uitzondering. Maar steeds vaker lijkt het de norm te worden.
Neem de afgelopen weken. Rode kruisen boven de A10. Die zijn er niet voor de versiering. En toch werden ze massaal genegeerd. Hulpdiensten konden amper bij een kettingbotsing komen omdat automobilisten hun eigen plan trokken. Keren op de snelweg, doorrijden, filmen met hun telefoon. De politie schreef 45 bekeuringen uit. En nu willen ze drones inzetten om zulke types beter aan te pakken. Het feit dat ze daar drones voor nodig hebben, zegt eigenlijk alles.
En het houdt niet op bij de snelweg. In Amsterdam raakte een agent onlangs verwikkeld in een knokpartij, alleen omdat hij een automobilist aansprak die door een voetgangersgebied reed. Een omstander bemoeide zich ermee en moest met pepperspray tot bedaren worden gebracht. In de Van Hogendorpstraat in de hoofdstad rukten bewoners een hek uit de grond omdat ze geen zin hadden om om te rijden. Zelfs verkeersregelaars krijgen de volle laag. Scheldpartijen, dreigementen, soms geweld. Omdat iemand vijf minuten moet omrijden. Of even moet afstappen met zijn fiets.
Ben je net van die wanstaltige bierfietsen verlost, komt er opeens een stoet karts met piratenvlaggen voorbij
In Midden-Nederland stuurde de politie bijna duizend brieven naar mensen die vaker zijn beboet voor verkeersovertredingen. Goed bedoeld, hoor. Maar wie zich drie keer als verkeershufter gedraagt, laat zich heus niet corrigeren door een brief. Soms moet je gewoon ‘repressief optreden’, zoals dat heet. Niet waarschuwen, maar bekeuren. Dan maar voor de zoveelste keer. Laten zien dat de straat geen niemandsland is.
Maar het gaat om meer dan alleen verkeersregels. Het is een mentaliteit. Op de Meent in Rotterdam rijden de usual suspects avond na avond rondjes, puur om te showen. Ramen open, brullende motoren, muziek op standje pijngrens. Alsof het Rodeo Drive in LA is of La Croisette in Cannes. Maar kom op, het is gewoon een doorsneewinkelstraat. Het is diezelfde drang om op te vallen, herrie te maken, ruimte te claimen. De stad als decor voor je eigen sneue show.
In Amsterdam hebben ze er iets nieuws bij: karts, te huur voor toeristen die voor 150 euro twee uur door de stad willen knallen. Officieel toegestaan. Maar niemand gelooft dat dit goed is voor de stad. Wie verzint zoiets? Zeker niet iemand met liefde voor Amsterdam. Ben je net van die wanstaltige bierfietsen verlost, komt er opeens een stoet karts met piratenvlaggen voorbij. Dit komt uit de koker van ondernemers die het hebben afgekeken van Tokio – waar dergelijke buitenissigheden normaal worden gevonden – en die maar één ding zien: geld, geld en nog eens geld. Het past in het rijtje Nutella-winkels en wafelshops die de stad al genoeg hebben verziekt. Het is steeds hetzelfde patroon: ieder voor zich, niemand voor de stad.
En dan lees ik dat Amsterdam nu officieel in de top tien staat van onvriendelijkste steden ter wereld, naast Moskou en Riga. Goh, verrassend. In een stad waar mensen elkaar steeds vaker de tent uit vechten, waar alles om geld draait en toeristen vooral worden gezien als wandelende pinautomaten, is het niet zo gek dat de sfeer niet bepaald warm aanvoelt. Of dat nog goedkomt? Misschien. Maar voorlopig ziet zelfs een ouwe diender met roots in Rotterdam liever niet dat Amsterdam definitief in dat rijtje van Moskou en Riga blijft bungelen. Als we niet oppassen, vliegt het imago van deze stad straks harder uit de bocht dan zo’n kart op de grachtenroute.