Micha Jacobs
Ik woonde een tijdje op de Beijerlandselaan ‘op’ Rotterdam-Zuid, onder de rook van de Kuip en onder het geratel van de politiehelikopters die in het weekend en op doordeweekse Europese voetbalavonden laag overvlogen. Dat klonk altijd als muziek in mijn oren, want dan wist ik dat Feyenoord thuis speelde. Dat deel van ‘Zuid’, en mijn straat in het bijzonder, werd in die tijd nog als het afvoerputje van de stad gezien, wat veel Rotterdammers aan de andere kant van de brug nog steeds vinden en wat ook werd bevestigd toen ik mijn intrek nam in een piepklein appartementje boven een islamitische bruidsmodezaak.
Mijn broer, die mij hielp met verhuizen, had een busje geregeld van een vriend die een bedrijf had in Venlo, in de Jodenstraat. Dat adres stond ook op de zijkant van het busje en boven het nummerbord geschreven, al had je zeer goede ogen of minstens een vergrootglas nodig om het te kunnen lezen. De Feyenoord-supporter die langsliep toen we een wasmachine naar boven sjouwden had blijkbaar een vergrootglas in zijn zak, en ook nog iets scherps bovendien, want toen we na een paar minuten beneden kwamen was het busje bekrast. Vooral het eerste deel van het adres was onleesbaar gemaakt. Ik wist meteen: de haat van Feyenoord naar Ajax, en van Rotterdam naar Amsterdam, was vele malen groter dan andersom. Willem van Hanegem, om maar een voorbeeld te noemen, zou nooit van zijn leven een Ajax-shirt aantrekken, Johan Cruijff wel een Feyenoord-shirt.
Ik moest eraan denken toen Rinus Israel onlangs overleed. Oer-Feyenoorder, eerste Nederlandse aanvoerder met de Europacup I in zijn handen én volbloed Amsterdammer. Opgegroeid in ‘Noord’ (Amsterdam), groot geworden ‘op Zuid’ (Rotterdam), dat kon toen nog. De weinige Ajax-supporters met humor die ik ken gingen daar prat op toen ‘IJzeren Rinus’ laatst het loodje legde. Ik weet niet of het waar is – er wordt nog weleens wat verzonnen in Amsterdam – maar ik hoorde iemand zeggen dat de selectie van Feyenoord in 1970 na de gewonnen Europacup I-finale tegen Celtic (2-1, met de tussentijdse 1-1 van Israel) niet kon landen in Rotterdam, omdat daar te veel volk op de been was. Het vliegtuig moest dus uitwijken naar Schiphol, waarna Israel in plat Amsterdams zou hebben gezegd: “Nou, dan landt die cup toch nog als eerste in Amsterdam!” Ik vind dat mooi, Amsterdamse branie in een Rotterdams jasje. Scheelt ook natuurlijk dat hij nooit een Ajacied is geweest, net als Gullit, denk je niet?
Edwin Struis
Ach ja, IJzeren Rinus. Elke keer als ik m’n werkplek betreed, lacht hij me tegemoet. In puzzelvorm, welteverstaan. Ooit eens aangeschaft tijdens Koninginnedag voor een paar piek. ‘Voetbalsterrenpuzzle’, staat er op de zijkant van de doos die honderdveertig stukjes Rinus Israel bevat. Ja, zonder puntjes, zoals ie ook zelf altijd beweerde, hoewel voetbalschriftgeleerden beweren dat het in zijn paspoort wel degelijk met puntjes stond. En gezien zijn voorgeschiedenis – hij groeide op in een Joods gezin – kan dat ook bijna niet anders. Misschien wilde de robuuste verdediger zich later een beetje distantiëren van dat land en ik geef ’m geen ongelijk tegenwoordig.
Wist je dat Rinus naast wereldverdediger op het veld ook goed uit de voeten kon op straat? Als zoon van een metselaar volgde hij een opleiding tot stratenmaker, ook toen hij al betaald voetbal speelde bij DWS. Sterker, hij was al landskampioen geworden (in 1964) toen hij samen met zijn zwager Joop Burgers – die er destijds voetbalde – bij HFC Haarlem nog eens de stoep heeft betegeld voor de kleedkamers. Hoewel hij zijn eigen rol daarin later meteen minimaliseerde. “Ik was slechts de man van het zand en de stenen, ik zorgde ervoor dat de echte vakmannen, zoals Joop, door konden werken.”
Dat was Israel ten voeten uit: altijd bescheiden. Nooit snoeven of opsnijden over eigen prestaties. Geen wonder dan ook dat hij Ajax een veel te arrogante club vond en van DWS voor het recordbedrag van 450.000 gulden (zo’n 200.000 euro) verkaste naar Feijenoord, destijds (1966) nog wel met puntjes. In zo’n ‘werkomgeving’ voelde hij zich veel meer thuis. En vier jaar later stond hij er als Amsterdammer toch maar mooi met de Europacup I in zijn handen, na die magische wedstrijd in San Siro. Voor mij magisch, omdat het een van de eerste wedstrijden was die ik – als 5-jarige – live mocht aanschouwen.
Later kruisten onze wegen zich veelvuldig. Hij als trainer/bondscoach, ik als reporter. Natuurlijk, hij was een tikkeltje cynisch, (“Zitten de dozen nog om je schoenen?” voegde hij spelers veelvuldig toe), maar altijd spontaan, nooit bedacht. In zijn nadagen schoof hij bijna wekelijks aan bij het allervermakelijkste sportprogramma op de radio, elke zaterdagochtend van de broers Leo en Nico Driessen op NH Radio, en nooit liet hij zich voorstaan op zijn imposante carrière. En dat ik hem altijd oneerbiedig aansprak met ‘IJzeren’ vond ie alleen maar grappig. Vreselijk dat de roest hem er definitief onder heeft gekregen.