Ik weet niet over hoeveel vermissingszaken ik in ruim dertig jaar misdaadverslaggeving heb geschreven. Oneerbiedig gezegd: ik ben de tel kwijtgeraakt. Maar de gezichten en namen van veel van de slachtoffers hebben zich in mijn geheugen vastgezet. Herman Ploegstra. Germa van den Boom. Henk Vierwind. Henk Peters. Tanja Groen. Remco van der Torre. Zo kan ik nog wel even doorgaan.
Los van het verdriet voor de nabestaanden zijn het voor mij, als verslaggever, pure hersenkrakers. Wat is er toch gebeurd met deze mensen? Hoe kan het dat de daders ermee wegkomen? Het zijn vragen die ook Michiel Hensema bezighouden, onderzoeker bij het Cold Case Bureau Van Meerbeeck. Hij nam veertig opgeloste vermissingszaken met een fatale afloop onder de loep, om uit te zoeken welke patronen mogelijk licht kunnen werpen op vastgelopen dossiers.
Zijn conclusies zijn tegelijk schokkend en herkenbaar. In 81 procent van die zaken kende het slachtoffer de dader, vaak goed ook: partner, ex, familielid, vriend; mensen die op verjaardagen nog vrolijk toastjes stonden te smeren. Het is misschien wel het meest wrange aan dit soort zaken, dat het gevaar soms gewoon naast je op de bank zit. De slachtoffers zijn gemiddeld dertig jaar oud en in drie van de vier gevallen vrouw: vrouwen met werk, kinderen en toekomstplannen. En soms dus met een partner die ze minder goed kenden dan ze dachten.
Het is misschien wel het meest wrange aan dit soort zaken, dat het gevaar soms gewoon naast je op de bank zit
Ook opvallend: in bijna driekwart van de onderzochte zaken bedachten daders pas ná de moord wat ze met het lichaam moesten, zelfs als er dus sprake was van voorbedachte rade. Het wegwerken van het slachtoffer is vaak helemaal geen onderdeel van het plan, alsof ze denken: dat is van latere zorg. En dan grijpen ze bijna altijd naar plekken die ze kennen: een visstek, een recreatieplek uit hun jeugd, of simpelweg de route naar de supermarkt. Slechts dertien procent koos een locatie waar ze nooit eerder waren geweest. Maar juist die plekken blijken riskant, omdat daders daar minder vertrouwd zijn, sneller fouten maken of onbedoeld aandacht trekken, waardoor lichamen daar gemiddeld binnen 27 dagen worden gevonden.
Bekend terrein lijkt voor daders veiliger, maar dat kan zich ook tegen hen keren. Rechercheurs kijken namelijk als eerste naar plekken met een link naar het leven van de dader, waardoor vertrouwde plekken soms juist de grootste aanwijzing vormen. Populaire plekken om een lichaam te dumpen zijn bossen (23 procent), woonwijken (20 procent) of water, zoals kanalen en plassen. Dit laatste blijkt vaak een slechte keuze, omdat lichamen vroeg of laat door ontbindingsgassen aan de oppervlakte komen, zelfs als ze zijn verzwaard.
Een ander misverstand is dat daders grote afstanden rijden om een lichaam weg te werken. In werkelijkheid ligt de vindplek gemiddeld nog geen dertig kilometer van de plek waar het slachtoffer voor het laatst is gezien, en bij begraven lichamen vaak niet verder dan tien kilometer. Vaak parkeren daders hun auto bovendien vlak bij de plek waar ze het lichaam achterlaten, gemiddeld op zo’n 36 meter afstand. Best logisch; ze willen het snel afhandelen en zo min mogelijk het risico lopen om gezien te worden.
En ja, soms worden lichamen in stukken gezaagd. In ruim een kwart van de zaken gebeurt dat, waarbij meer dan de helft van die lichamen zelfs verspreid over meerdere plekken wordt achtergelaten. In 43 procent van die zaken wordt de lichaamsdelen gevonden door een toevallige passant, terwijl in andere gevallen de politie het ontdekt of de dader uiteindelijk zelf met een bekentenis komt. En dat is misschien wel het belangrijkste inzicht uit Hensema’s onderzoek: want hoe zorgvuldig iemand ook denkt zijn sporen uit te wissen, uiteindelijk komt de waarheid toch vaak bovendrijven. Soms letterlijk.