doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_below_menu_allpages');

Met loodzware ballen

Weightball, een nieuwe sport, gespeeld op een volleybalveld, is eigenlijk heel simpel. Het enige wat je moet doen is een bal vangen en ’m over het net gooien. Alleen weegt die bal wel negen kilo. En heeft onze verslaggever, die weleens een potje wilde spelen, armen als luciferhoutjes. Hoe sadistisch kan een mens zijn voor zichzelf?
doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_below_image_article');
Met loodzware ballen

Volgens mij is het best een blessuregevoelige sport, hè, dat weightball?” Ik vraag het enigszins verontrust en met licht knikkende knieën vlak voor de training waarin ik mijn weight-ball-ontmaagding zal ondergaan aan Archelino Mouline. Hij is de man in wiens hersenpan het idee is ontstaan om op een volleybalveld medicijnballen als kanonskogels op elkaar af te vuren.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_top_article');

“De afgelopen periode is er één persoon geweest die pezen in zijn hand heeft gescheurd,” antwoordt hij.

“Nou, dat valt me reuze mee,” zeg ik opgetogen.

“Iemand anders heeft zijn achillespees afgescheurd,” vervolgt Archelino.

“Oh…” “Ik heb gekneusde vingers gezien.”

“Ook nog.”

“Ingescheurde nagels.”

“Jeetje.”

“Sommigen krijgen de bal in hun gezicht.” “Echt?”

“Of op hun strot.”

“Op hun strót?!”

“Dus ja,” zegt Archelino, die opeens een lijkbleek persoon tegenover hem heeft staan, “je kunt het best een blessuregevoelige sport noemen.”

Sterkste Vrouw van Nederland

Het begint allemaal een paar weken daarvoor met een onverwacht bericht dat binnenkomt op mijn telefoon.

“Hey Marco.” De afzender is Manon Kranendonk, een vrouw met armen als boomstammen. Eerder dit jaar heb ik kort contact met haar gehad. Omdat ze voor het eerst had meegedaan aan een zogenoemde Strong Woman-wedstrijd en die ook meteen gewonnen had, mag ze zichzelf een jaar lang de Sterkste Vrouw van Nederland noemen. De Berend Veneberg of Wout Zijlstra van het andere geslacht dus. In gedachten zag ik een reportage voor me. De Sterkste Vrouw van Nederland die wordt uitgedaagd door mij: de slapste man van Nederland. Ik sla nog geen deuk in een pakje boter en ben nog nooit in een sportschool geweest.

Omdat de kans dus vrij groot was dat Manon mij bij een wedstrijdje armpjedrukken al binnen een fractie van een seconde de grootste vernedering van mijn leven zou bezorgen, maar ik wel acht pagina’s te vullen zou hebben, wilde ik ook een wedstrijd van haar bezoeken om te zien wat dat nu eigenlijk is, zo’n Strong Woman-wedstrijd. Ze vond het een goed idee. Maar toen gebeurde het onfortuinlijke. Corona brak uit. Al haar wedstrijden werden geannuleerd, iedereen werd verzocht zoveel mogelijk binnen te blijven en in de anderhalvemetersamenleving zat armpjedrukken er ook niet in. We spraken af ‘na corona’ weer contact te hebben. Maar de pandemie duurde voort. Eerst verstreken er weken, toen maanden. Een reportage leek er niet meer van te komen. Tot zij de radiostilte verbrak. “Hey Marco.

Momenteel zijn er nog geen Strong Women-wedstrijden, maar ik heb wel iets anders leuks. Ik doe mee aan een Weightball-wedstrijd, een nieuwe, opkomende sport. Misschien is dit interessant voor een artikel?”

Ik had er nog nooit van gehoord, weightball. Om te laten zien wat het was, stuurde ze een filmpje mee. Mijn mond viel open van verbazing. Twee teams van vijf man (allemaal sportschooltypes) smeten op een volleybalveld met een medicijnbal naar elkaar. Een bal die normaal gesproken gebruikt wordt voor kracht- en conditieoefeningen en die in dit geval negen kilo weegt: net zoveel als twee grote, volle zakken aardappels.

Elke keer als ik op het scherm van mijn telefoon iemand een bal zag vangen, leek het alsof hij een karatetrap tegen zijn borst kreeg. Gelukkig waren de regels die Manon erbij vermeld had een stuk minder schokkend. Na aanraking door maximaal drie spelers van hetzelfde team moet de bal over het net worden gespeeld en als hij op de helft van de tegenstander de grond raakt, levert dat een punt op. “Ik speel in Team Rotterdam en we zijn aan het trainen voor een wedstrijd tegen Team Amsterdam,” schreef Manon. “Zin om een keer mee te trainen?”

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_middle_article');

Olympische sporters

Vandaar dat ik me op deze vrijdagavond in sportkleding meld in Gymzaal Kolkmanstraat in Rotterdam-Noord.

Aan de rand van het veld neemt Manon mijn slungelachtige lichaam, mijn spierbal-loze armen en mijn klutsknieën in zich op. “Ben ik hier wel geschikt voor?” vraag ik haar.

“Jawel, hoor,” antwoordt ze. “Ik denk dat weightball voor veel mensen toegankelijk is. Zolang je maar met spelers van je eigen niveau speelt.”

Ik werp een blik op de gasten die binnen de lijnen alvast begonnen zijn met ingooien. Hun armen zijn zonder uitzondering twee keer zo breed als die van mij. En niet alleen hun armen. Vrijwel al hun lichaamsdelen die van pas komen wanneer je een medicijnbal op iemand afvuurt. Wat gebeurt er als zo’n vuurpijl recht op mijn gezicht af komt? Eindigt mijn weightball-debuut dan met mijn  hoofd tegen de muur en een gratis hersenschudding? Wat me óók niet gerust stelt, is dat de spelers van het vrouwenteam meer testosteron in hun kleine teen hebben dan ik in mijn hele lichaam. Team Rotterdam bestaat vooral uit topsporters. Judoka’s Juul Franssen en Marhinde Verkerk bijvoorbeeld.

Die hadden normaal gesproken op de Olympische Spelen gestaan. En hoewel smashen niet mag, speelt ook volleybalinternational Celeste Plak mee tegen Amsterdam. Ze zijn allemaal op de een of andere manier uit de koker gekomen van coach Archelino. Als oprichter van sportcommunity Club Wod heeft hij een groot netwerk in de sportwereld. Hij is ook de man die dit gekkenwerk allemaal bedacht heeft. Tijdens de intelligente lockdown postte hij een filmpje op Instagram waarop hij met een aantal vrienden aan het overgooien was met een slamball, een bal waar zand in zit. Een van zijn volgers vond dat zo interessant dat hij Archelino uitnodigde een potje in Amsterdam te komen spelen. Archelino stelde een team samen dat op zaterdag 16 mei samen met hem naar de Bijlmer afreisde om allereerst op een straatvolleybalveldje de regels van weightball te bedenken (de slamball werd vervangen door een medicijnbal) en vervolgens aan te treden tegen Team Amsterdam. Na vier keer tien minuten was de wedstrijd voorbij en de winnaar bekend: Amsterdam.

Nog dezelfde dag besloot Archelino dat er een rematch moest komen.

In Rotterdam. “Pas op, je draagt een bril, hè,” hoor ik Archelino vanaf de bank naar me roepen wanneer het moment is aangebroken dat ik niet meer wegkom met vanaf de zijkant toekijken en zelf het veld betreed. De bal van negen kilo is te zwaar voor mij, vermoedt Archelino. Daarom spelen we met een bal van zes kilo. Daar gooien de vrouwen ook mee. Bovendien kunnen zij dan gelijk meedoen. Nog een kleinere kans dat ik mijn neus breek.

Het zijn maatregelen die ervoor zorgen dat ik voorzichtig mijn eerste voetstappen binnen de lijnen durf te zetten zonder dat ik er vanuit ga dat ik morgenochtend wakker word op de intensive care.

De positie waarop Archelino me heeft neergezet – centraal achterin – blijkt in tegenstelling tot mijn ergste fantasieën ook niet de plek te zijn waar de granaten van de tegenstander het vaakst belanden. Vanwege het zware gewicht van de bal haalt hij lang niet altijd het achterste deel van het veld en vangen vooral de aanvallers ’m op. Maar uiteindelijk kom ook ik er natuurlijk niet onderuit. Ik zie de bal over het net heen vliegen en recht op me afkomen. Snel doe ik wat Manon en Archelino me als tip hebben meegegeven. Van mijn armen een kommetje maken en de bal met mijn borstkas (voor zover die ik heb) opvangen.

Poef! Het schiet gelijk in mijn nek. Door de impact zet ik twee stappen achteruit. Maar ik heb ’m wel. Klemvast! Onderhands duw ik de bal met al mijn kracht van me af, richting onze centrale aanvaller. Die staat op nog geen tweeënhalve meter afstand, maar moet toch een stap naar voren zetten om hem te kunnen vangen. Zo zacht is mijn worp. Vervolgens smijt hij ’m achterwaarts steenhard naar de helft van de tegenstander. Het contrast is groot, zullen we maar zeggen. Toch heb ik er plezier in. Krachttraining is niets voor mij, maar balsporten vind ik leuk – ik voetbal – en teamsporten ook. Na de bal meerdere keren gevangen te hebben, neemt ook mijn zelfvertrouwen toe. Ik hoef helemaal niet bang te zijn dat straks mijn hoofd tegen de ene muur ligt en mijn bril tegen de andere. Zolang ik blijf opletten, gaat het goed. Althans, verdedigend gezien. Aanvallend heb ik niets in te brengen. De paar keer dat ik het probeer, belandt mijn worp tegen de touwen. In géén van de drie trainingspotjes die ik speel, maak ik een punt. Niet één. De schade blijft beperkt tot twee ballen die mijn kant op kwamen, maar ik niet wist te vangen. En oké: drie nederlagen.

“Voor een eerste keer ben ik helemaal niet ontevreden over je,” zegt Archelino na afloop in de kleedkamer tegen me.

“Je hebt inzicht, je kunt inschatten waar de bal komt. De ballen die over het net heen kwamen, had je. Ook als ze vaart hadden. Alleen: je mist spiermassa.

Als je aan je atletisch vermogen werkt en je dynamischer wordt, dan kun je sneller naar voren of naar achteren stappen en participeren in de aanval. Dat deed je nu niet. Maar verder vond ik het een prima prestatie.”

” Maar ik word zeker niet geselecteerd voor de wedstrijd tegen Amsterdam?” vraag ik.

“Dat niet nee,” lacht Archelino.

Benieuwd naar de rest van het artikel? Lees het in de nieuwste Panorama of op Blendle.

doDisplay('div-gpt-ad-PanoramaNL_in-content_bottom_article');

Laatste nieuws