Jij begon geheel uit eigen beweging bij het Liliane Fonds.
“Lang geleden werkte ik als jong broekie bij Tros Aktua. Mijn baas Wibo van de Linde bracht als eerste televisiemaker lichte, human interest-onderwerpen tussen het harde nieuws. Zo besteedde hij een keer groots aandacht aan de nieuwe single van André van Duin, de Klokkenluider. Daar keken de Brandpunten en de Hier en Nu’s van toen natuurlijk enorm op neer. Maar Wibo was eigenlijk zijn tijd ver vooruit. Nu wordt licht en zwaar nieuws continu afgewisseld. Ik moest een item gaan maken in het Brabantse Vlijmen bij ene mevrouw Liliane Brekelmans. Ze had polio gehad tijdens haar jeugd in Indonesië en was invalide gebleven. Later ging ze terug en wilde ze Indonesische poliopatiënten – die het veel zwaarder hebben dan Nederlandse – helpen. Ze ging een stichting oprichten. Dus ik zat daar als 25-jarige aan de keukentafel met een mevrouw die veertien foto’s voor zich had liggen van Indonesische kinderen die ze wilde helpen. Dat raakte mij. Daarom heb ik daarna contact gehouden. Haar man, ook een mooi verhaal, was priester geweest die uit het ambt was gestapt omdat hij op haar verliefd was geworden. Op enig moment ben ik met die wat sjofel uitziende ex-priester, die ook nog een beetje mompelend sprak, naar Cees den Daas gegaan, destijds het hoofd van de TROS en bijzonder commercieel ingesteld. Onze inzet was een half uur zendtijd voor het Liliane Fonds. Ik dacht dat het nooit ging lukken. Maar we kregen het. Op primetime. Daarna ben ik dat blijven doen. Pas veel later gingen ze me ambassadeur noemen. Erica Terpstra is inmiddels ook ambassadeur.”
Hoe druk ben je ermee?
“Dat wisselt. Een aantal maal per jaar ga ik bij ze langs. Ik doe presentaties, publiciteit, openingen van Liliane Fonds gerelateerde evenementen. Ik spreek hun spotjes in en ik maak eens per jaar een reis voor wervingsdoeleinden. Het is goed te doen, het is geen enorme opgave voor me.”
"Die kun je maar beter niet aan de buitenwereld vertonen en die kan maar beter zijn hele leven in een hutje blijven.”
In hoeverre hou je contact met kinderen die jullie helpen?
“Omdat ik het al zo lang doe, kom ik soms een geholpen kind weer tegen tijdens een reis. Ik heb in 1985 bijvoorbeeld een vijfjarig jongetje ontmoet dat polio had gehad. Hij was motorisch slecht, kon niet lopen, kroop een beetje rond. Twaalf jaar later zag ik hem weer. Hij bestierde een klein schoenmakerijtje, een standje. En hij liep. Het enige dat hij nodig had gehad waren twee beugeltjes en fysiotherapie. Het kostte geen moer om de toekomst van dat joch van afhankelijk in zelfredzaam te veranderen. Het is bijzonder dat een gehandicapt kind in zo’n land zichzelf kan bedruipen. In bepaalde landen wordt zo’n kind gezien als een vloek van de Heer. Die kun je maar beter niet aan de buitenwereld vertonen en die kan maar beter zijn hele leven in een hutje blijven.”
Dit is een voorstukje uit ons blad. Wil je het hele interview met Jaap Jongbloed lezen? Bestel Panorama dan hier, of lees het in Blendle.