Deze week meneer M. die in plat Helmonds zijn onschuld probeert te bewijzen. ‘Ik haj gehurd dahijdienaamheijenenalles.’
Ergens in de namiddag. Het drietal rechter/officier/griffier heeft zichtbaar een lange dag achter de rug. Er komt een advocaat binnen, en een man met een staart, een sik en wallen die ongeveer tot aan zijn knieën reiken. Meneer M. arriveert aan het hof van justitie zoals een winterschilder arriveert: net een beetje te enthousiast, net een beetje te actief en heel erg klaar om aan de slag te gaan.
Meneer M. neemt een actieve houding aan, en begint, nog voordat de rechter überhaupt wat gezegd heeft, al met instemmend knikken. Het lijkt erop dat zijn advocaat tegen hem gezegd heeft dat hij vandaag in elk geval goed mee moet werken, omdat dat de straf soms nog wel eens ten goede wil komen. Dus oogt meneer M. als een overenthousiaste klusjesman en knikt hij de hele zitting instemmend.
De Helmondse meneer M. zit in het beklaagdenbankje voor het helen van een scooter, in Eindhoven. Dat, en voor het stelen van een blikje pils in de plaatselijke supermarkt. En, tot overmaat van ramp, zat M. ook nog eens in zijn proeftijd, dus hangt hem in dat verband ook nog eens een fikse straf boven het hoofd. Op zich genoeg redenen dus om een positieve houding aan te nemen.
Gestolen scooter
Op gortdroge wijze legt de rechter uit wat er precies aan de orde is: de politie ging een tip na over de heling van brommer- en motorspullen en kwam in de schuur bij ene meneer P. uit, die nog weleens wat wilde verhandelen in de wereld van de gestolen brommeronderdelen. Nadat ze over de schutting klommen, troffen ze daar in de schuur de scooter van meneer M. aan, die een dag of wat eerder nog gestolen bleek te zijn.
‘U hebt aan die meneer P. gevraagd of hij de kappen ervanaf wilde halen, toch?’ steekt de rechter van wal. ‘U was alleen, er zijn geen prijzen besproken, en hij geeft aan dat hij geen idee heeft hoe u aan zijn adres bent gekomen. U had de kentekenplaten zelf weer meegenomen, vertelde hij, hij ging er niet vanuit dat er iets verkeerds was met die scooter, maar hij nam het maar gewoon aan.’
‘Ja, ja, ja, ik had die scooter van een onbekende Marokkaan gekocht, op het station,’ mompelt M. tegen de rechter. M. praat zó plat Helmonds dat de rechter moeite heeft om hem te verstaan.
‘En u bent bekend met meneer P., waar u de scooter neergezet had?’
‘Neu, die ken ik nie.’
‘Maar hoe komt die scooter daar dan terecht?’
‘Ik haj gehurd da hij kon brommers sleutele.’
‘Pardon?’
‘Ik haj gehurd dahijdienaamheijenenalles.’
‘Oh, oké. En van wie dan?’
‘In Helmond,’ antwoordt M. zo duidelijk als hij kan. Even wacht hij. De rechter trekt een wenkbrauw op. Dan bedenkt M. zich nog wat. ‘Van de jongens. In Helmond, van de jongens. Zodoende.’
‘U was daar met de scooter heen gegaan, maar hoe ging u dan weer terug naar huis?’
:max_bytes(70000)/%23source%2Frevu%2Fpremium%2F40-2017%2Fbeklaagdenbankje%2Fbeklaagden30bdef.jpg)
‘Ja, da wit ik allemaal nie meer, hurre, mee openbaar vervoer, mee d’n auto, da zou ik nie weten.’ ‘Kan het zijn dat meneer P. u naar huis heeft gebracht?’
‘Jeh, da zou ook goed kunne, jeh.’
‘Want dat verklaart ie namelijk. Maar u zegt dat u daar geen herinneringen meer aan hebt.’
‘Jaikstaiokniewezogoedvegeheuge.’
‘Sorry?’
‘Da geheuge, da staj ook allemaal nie zo goed meer.’
‘En komt dat door de drugs en door de alcohol?’
‘Dat zou heul goed kunnen, ja. Maar ik gebruik niet meer elke dag, hoor. Een jointje, een pilske, soms wat harddrugs, maar daar heb ik de financiële middelen niet meer voor.’
Even valt het gesprek stil. Meneer M. kijkt eens opzij, naar zijn advocaat, die vaderlijk naar hem knikt. Hoewel M. de 50 gepasseerd is, is hij in de rechtszaal – het is een transformatie die meer mensen ondergaan, wanneer ze in het beklaagdenbankje terechtkomen – weer 17 jaar oud geworden. Een 17 jaar oude deugniet die probeert aan te geven dat hij het ook allemaal niet kwaad bedoelt. Zijn advocaat knikt nog maar eens een tweede keer, om aan te geven dat hij het helemaal niet slecht doet. M. probeert weer een open houding aan te nemen en haalt zijn neus nog eens op. De rechter vraagt of M. een baan heeft. Hij legt zo duidelijk mogelijk uit dat hij tegenwoordig stage loopt bij een bedrijf dat glasvezel legt in Duitsland. Soms vraagt de rechter aan M. om zijn laatste zin te herhalen. Dat doet hij dan, maar exact even onduidelijk en Helmonds.
Blikje bier
‘Oké,’ verbreekt de rechter de stilte. ‘Wat is uw standpunt over de straf?’
‘Hé, nee, nee, wacht,’ protesteert de advocaat van meneer M. ‘We moeten het ook nog hebben over dat blikje bier!’
‘Ja,’ loopt M. maar meteen op de zaken vooruit. ‘Ja, die had ik in mijn jas meegevat. Een kameraad van me was toen net gestorven. Die werd begraven.’
M. vervolgt zijn betoog een paar zinnen lang in een onverstaanbare brij aan klanken. Soms komen er herkenbare woorden naar boven drijven als ‘jaszak’, ‘blikske’ of ‘pilske’. De rechter knikt instemmend. Misschien wil hij ook wel gewoon naar huis. Meneer M. lijkt het uitleggen van zijn winkeldiefstal ernstig te nemen, maar zelfs de griffier kijkt ten einde raad naar de verdachte. ‘Het was, zegt u, gewoon een vergissing?’
‘Ja, ja, ik wil nooit niks strafbaars doen, hoor. Maar ja.’
Meneer M. krijgt uiteindelijk 9 weken cel. Niet alleen voor het helen van een scooter, maar ook omdat hem nog een aantal weken boven zijn hoofd hangt. En natuurlijk helpt zijn 31 pagina’s tellende strafblad ook niet mee, wat toch een wat lijvig dossier is, voor iemand die ‘nooit niks strafbaars wil doen’.