Vanouds

Het beklaagdenbankje: De man die gewoon om zijn centjes vroeg

Iedere week wonen journalist Martijn Neggers en illustrator Jeroen de Leijer in de rechtbank een zitting bij waarin gewone mensen ter verantwoording worden geroepen. Geen zaken die breed worden uitgemeten in de media, maar huis-tuin-en-keukenleed.

https://cdn.pijper.io/core/panorama-fallback2.png

Deze week meneer Van der Z., die volhoudt dat zijn slachtoffer niet mishandeld is, maar gewoon over zijn eigen benen struikelde.

Meneer Van der Z. komt in een wijde joggingbroek en op krukken binnenstrompelen, met zijn advocaat die een beetje nerveus en gehaast achter hem aan drentelt, en met daarachter zijn hoogblonde vrouw. De rechtszaak begint een paar minuten later omdat de advocaat wat te laat was. Van der Z. is een tot aan zijn nek getatoeëerde man. Onhandig zet hij zijn krukken tegen het beklaagdenbankje en sleept zichzelf in de stoel recht tegenover de rechter. Van der Z. is een smalle man, geen grammetje spier of vet extra. Hij lijkt typisch zo’n man die niet sterk is – iemand die je best kunt hebben in het café – totdat hij met één vuistslag je onder- en bovenkaak in tweeën splijt.
Ineens begint de advocaat zich te verontschuldigen. Hij wappert een beetje met zijn handen en legt uit dat hij te laat was. 
‘Ja,’ begint hij, met een groot gebaar. ‘Ja, ik was dus, ehh, nou ja, te laat. Omdat ik ehh, ja, nou ja, omdat ik dus te laat was. Excuses, mevrouw de rechter.’
‘Oké,’ antwoordt de rechter.
De zaak komt uit 2014, maar ook oudere misdrijven zijn misdrijven, dus begint de rechter, op het oog met een klein beetje tegenzin, aan de zaak. Ze kijkt in haar papieren en zucht een keertje.

Qua bewijs

‘Goed,’ begint de officier de zaak uiteen te zetten. ‘Meneer Van der Z. wordt ervan verdacht zijn slachtoffer zwaar mishandeld te hebben door hem tegen het hoofd te slaan en hem daarna te schoppen terwijl hij al op de grond lag.’ Eventueel, voegt ze eraan toe, wil de officier van justitie ook, als het echt moet, wel meegaan in een gewone mishandeling.
Dan neemt de rechter het woord. ‘Deze zaak komt uit 2014. U kent het slachtoffer, toch? U had nog wat geld van hem te goed indertijd?’ ‘Nog steeds,’ moppert Van der Z.
‘Uw slachtoffer heeft aangifte gedaan. Hij heeft gezegd dat u hem geslagen en geschopt heeft.’ ‘Ja, da zeetie ja.’
‘Daar was ook een getuige bij, een oudere heer, een ex-politieman, die u allebei niet kende. Die man belde de politie en vertelde dat hij erg moest denken aan de zaak van de Eindhovense kopschoppers, die toen actueel was.’
‘Ja, ik heb hem alleen niet één keer geschopt. Ik heb hem één keer geslagen. Nooit geschopt. Maar ik ben heel eerlijk, mevrouw de rechter: als ik hem tegen z’n hoofd geschupt had, dan zal ie toch wel een bult gehad hebben? Maar die had ie niet. Nou, ik bedoel maar. En met meerdere malen al helemaal. Dan zal er toch ergens wel een bult of een krasje of zo zitten, mag ik hopen?’
Even valt Van der Z. stil. Zijn advocaat kijkt hem betekenisvol aan. De vrouw van Van der Z., achter in de zaal, knikt bevestigend mee. Alsof zij daar eergisteren ook nog aan zat te denken. 
‘Ja, nee, ja, ik hoop het niet natuurlijk,’ lacht Van der Z. ‘Maar ge snapt het wel. Nou ja. Qua bewijs, snapte?’

‘M’n centen!'

De advocaat van Van der Z. bemoeit zich nu met het vraaggesprek. Hij vraagt of de beklaagde eens wat wil verduidelijken over een ontvoering die er geweest zou zijn. Koren op de molen van Van der Z.
‘Ik vroeg gewoon om m’n centjes. Ik wilde mijn geld gewoon hebben. Dus hij zegt tegen mij dat we naar zijn moeder moesten, dan zou ik mijn centen krijgen. Ik zeg: “Da’s goed, stap maar in de wagen.“ “Maar hij wilde te voet,” zeg ie. Ik zeg: “Dat doen we niet.”’
Van der Z. praat alsof hij in het café een sterk verhaal vertelt over die keer dat zijn oom met zijn lul vastzat in een jampotje. Soms moet Van der Z. een klein beetje lachen om zichzelf. De rechter lacht licht met hem mee. Als je niet beter wist, zou de sfeer ontspannen lijken.
‘Dus ik zet die fiets tegen unnen boom aan, maar toen probeerde ie weer weg te rennen. Maar hij bleef maar op de grond vallen. Hij is gewoon over zijn eigen benen gestruikeld. Ik heb hem niet geschupt en al helemaal niet ontvoerd. Maar toen rende ie weer weg, en ja toen riep ik nog naar hem: “M’n centen, m’n cénten!” Ik ben ok ginne rijke vent, snapte?’
‘Dat snap ik,’ antwoordt de rechter.
‘Vur men is 7500 euro ook gewoon veul.’
‘Ik begrijp het, meneer.’
‘Nou ja, dus toen ehh, nou ja.’

Taakstraf van 65 uur

‘Oké. Even tot hier,’ knikt de rechter. ‘Dan, als ik kijk naar uw dossier, dan zie ik dat u in het verleden eigenlijk helemaal geen geweldsdelicten heeft gepleegd. Ik zie dat u twee overtredingen heeft begaan die waarschijnlijk met uw hobby te maken hebben?’
‘Ja, met vissen.’
‘Met vissen,’ herhaalt de rechter.
Even is het stil in de rechtbank. Meneer Van der Z. knikt nog eens en grinnikt, alsof hij extra duidelijk wil maken: ja, dat vissen, dat vindt ie zo mooi, daar wil ie nog weleens de wet voor overtreden door net effe op dat ene plekkie te gaan staan met zijn hengel en zijn thermoskannetje en zijn viskoffertje vol boilies, haakjes en led-lampjes voor aan zijn dobber, maar een kopschopper, nee dat is hij niet.
Ineens begint hij een beetje te lachen. Voor de zoveelste keer lijkt hij er een grapje van te willen maken. De rechter lacht een klein beetje met hem mee.
Toch wordt de verklaring van de ex-politieman zwaarder meegewogen dan de kroegpraat van meneer Van der Z. Hij krijgt een taakstraf van – maar – 65 uur, omdat de zaak, dankzij bureaucratie bij justitie, wat verouderd is.