Het Stedelijk kocht het schilderij op 9 oktober 1940 vrijwel zeker te goeder trouw op de veiling in Amsterdam. De Restitutiecommissie stelde onder meer dat de verkoop van het werk niet echt los kan worden gezien van het optreden van het naziregime, maar tevens het gevolg was van de slechte financiële omstandigheden waarin de oorspronkelijke eigenaar al voor de Duitse inval verkeerde.
De erven vinden het oordeel van de commissie volgens hun advocaat Gert-Jan van den Bergh ,,onacceptabel" en in strijd met de internationale uitgangspunten. De afwijzing zou volgens bepaalde deskundigen ook ,,hardvochtig, kil en formalistisch" zijn.