Peter R. de Vries beschrijft zijn vriendschap met topcrimineel Cor van Hout

   10929  

“Het mooie van vriendschap is dat je eigenlijk nooit van tevoren weet wanneer het je levenspad zal kruisen, maar als het zijn intrede doet, is verzet meestal zinloos.” Misdaadverslaggever Peter R. de Vries beschrijft in deze leesbijlage uitvoerig zijn beladen vriendschap met topcrimineel Cor van Hout. 

Veel mensen denken dat vriendschap een welbewuste keuze is, maar in werkelijkheid is het vooral een kwestie van onvoorspelbare chemie. Net als verliefdheid. Het zijn vooral de geesten, de zielen, de karakters, de emoties van twee personen – en maar een klein beetje de plaats, de tijd en de omstandigheden – die bepalen of er sprake is van echte vriendschap. Of echte liefde. Over echte vriendschap heb je eigenlijk niet zoveel te vertellen. Het overkomt je. Het overvalt je de ene keer abrupt als een hinderlaag, terwijl je er de andere keer als een zandkasteel in de vloedlijn langzaam maar zeker door wordt omspoeld en vervolgens verzwolgen. 

Mijn vriendschap met Cor van Hout was er een die dicht langs de afgrond ging, zwaar op de proef werd gesteld, te maken kreeg met publieke afkeuring en zelfs een gewelddadige dood. Een vriendschap die niettemin alles overleefde en eigenlijk nog steeds voortduurt. Het mooie van vriendschap is dat je vooraf nooit weet wanneer het je levenspad zal kruisen, maar als het zijn intrede doet, is verzet meestal zinloos. Als de juiste ingrediënten aanwezig zijn – maar niemand heeft het recept! – is échte vriendschap onvermijdelijk, ja onontkoombaar, zelfs als er ook nog tegenstellingen of tegenpolen in het spel zijn. Soms ontstaan er daardoor ‘onmogelijke’ vriendschappen. Dat zijn de mooiste. En juist die bewijzen mijn stelling dat echte vriendschap geen rationele keuze is, maar veel meer een levenslot. 

Ik kan daar zo stellig over zijn omdat ik dat wéét. Want ik heb het zelf meegemaakt. Dit is het verhaal van zo’n onmogelijke vriendschap.

Om deze bijzondere vriendschap goed te kunnen begrijpen, moeten we terug in de tijd, naar eind 1983, toen in Amsterdam bierbrouwer Alfred Heineken en zijn chauffeur Ab Doderer werden ontvoerd voor een recordsom aan losgeld van (toen) 35 miljoen gulden. Ik was destijds een jonge – 27 jaar – en ambitieuze verslaggever bij De Telegraaf, die in de jaren daarvoor een aantal aardige onthullingen en primeurs op mijn naam had weten te zetten, maar die bij het grote publiek nog niet echt bekend was.

Oog in oog met Van Hout

Tijdens de ontvoering en na de ontknoping had ik me dikwijls een voorstelling proberen te maken van de gangsters die dit misdrijf hadden beraamd en uitgevoerd. Hoe waren ze in hemelsnaam op het idee gekomen? Waarom Alfred Heineken? Hoe hadden ze alles voorbereid en wat was er goed en fout gegaan? Wat wilden ze met het losgeld doen? En wat zouden ze met Heineken en Doderer hebben gedaan als ze niet waren gepakt of als er geen losgeld was betaald? En zo waren er nog talloze andere vragen en geheimen van de kidnap waar niet alleen ik, maar heel Nederland graag een antwoord wilde. Als journalist ging ik daar achteraan.

De eerste keer dat ik Cornelis van Hout en zijn kompaan Willem Holleeder in levenden lijve zag was op woensdag 7 maart 1984 voor de rechtbank in Parijs, vier maanden na de ontvoering. Het duo was na de kidnap naar Frankrijk gevlucht, maar daar uiteindelijk gearresteerd. In de zogenoemde Chambre d’Accusation van het Paleis van Justitie in hartje Parijs moest er door een Franse rechter geoordeeld worden of Van Hout en Holleeder aan Nederland uitgeleverd konden worden. Ik deed daar voor de krant verslag van.

Ik keek uit naar de confrontatie met de twee ontvoerders. Ik wilde hun gezichten nu weleens zien, hun stem horen. Op die woensdagmiddag was het dus zover. De belangstelling van de internationale pers was groot in de statige en zeer goed bewaakte rechtszaal. Ik had echter een plaatsje op de eerste rij weten te bemachtigen, naast Philip Freriks, toen nog Frankrijk-correspondent van het NOS Journaal.

Even na twee uur ’s middags werden de twee Amsterdammers geboeid binnengeleid: een blonde man met bril en een donkere met baard, beiden midden in de twintig. Ik volgde elke beweging die ze maakten. Zo... Dit zijn ze dus, dacht ik. Even later begon de rechter met zijn ondervraging. Ik observeerde Cor van Hout, de blonde. Hoe het kwam weet ik niet, maar mijn aandacht werd door hem getrokken, niet door Holleeder. Mijn intuïtie zei me direct dat Cor van Hout de baas van het span was. 

Dit is slechts een kort voorstukje uit ons blad. Wil je hete hele verhaal van Peter R. de Vries lezen over zijn vriendschap met Cor van Hout? Bestel de nieuwe Panorama hier, of lees het op Blendle.

  • Redactie Panorama